Steenfabriek Bato's Erf


In Dreumel is maar op één plaats een steenfabriek geweest en dat is op Bato' s Erf op de Kop van de Voorn. Naar Bato, een legendarische aanvoerder der Bataven, was dit landgoed genoemd, dat eigendom was van Wilhelmus Hermanus Post, landeigenaar en rentenier te Tiel. Hij exploiteerde daar al sinds 1825 een 'zoutkeet', een fabriekje om zout te maken.

 

 

Op deze kadastrale kaart uit 1832 zien we linksboven d'n Hoek (splitsing Rooijsestraat/ Oude Maasdijk), de Waalbandijk en rechts van het midden een gedeelte van de Veer-straat. Rechtsonder zien we de Kop van de Voorn.

 
 

Wilhelmus Hermanus Post vroeg in 1840 een concessie aan om op zijn landgoed in DreumeI een steenoven te mogen oprichten en wel tussen het Voornse Gat en Bato's Erf.

Het gemeentebestuur van Dreumel juicht dit besluit toe: ".......dat er alhier hoegenaamd geen bezwaren tegen het oprichten van een steenoven op het landgoed Bato's Erf bestaan en het ons in het belang van het algemeen niet onwaarschijnlijk voorkomt, dewijl daardoor menig arbeider werk kan verkrijgen. "

In de jaren 1850 tot 1870 werkten er gemiddeld 50 arbeiders. Zij werden met een stukloon per 1000 stenen betaald. Dit gaf gemiddelde daglonen voor de volwassenen van 90 cent tot een daalder (FL. 1,50) en voor de vrouwen en kinderen 30 tot 60 cent per dag.

 

Bato's Erf, ± 1935: Langs de oever van de Waal ligt een schip te wachten om ingeladen te worden. Het inschepen van de bakstenen gebeurde per kruiwagen. Het tellen van de stenen gebeurde als volgt: de vrouwen aan boord namen van elke kruiwagen die met 76 stenen geladen was, één steen af om te turven. Op deze manier telde men het totaal aantal stenen. De capaciteit van een schip lag tussen de 10.000 en 15.000 stenen.

 

In 1855 werd de steenoven benut als schuilplaats tijdens de grote overstromingen, die toen plaats vonden. Een gedeelte van de oven stortte toen in.

 
Detail uit een pentekening van de overstroming in 1855. Links aan de horizon is de steenfabriek Bato's Erf zichtbaar.
 

Na de dood van Wilhelmus  Post werd de oven eerst nog geleid door zijn zoon P. Post, daarna door diens weduwe en toen weer haar zoon W.H. Post jr. We zijn dan al tegen het einde van de 19de eeuw.

In 1901 verschijnt er een naamloze vennootschap. Het is de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Waalsteenfabrieken. Ze gebruiken een stoommachine van 20 PK en dat is niet weinig. Wanneer we zoeken, wie er achter deze N.V. steken, dan vinden we A. Smits en A. Sigmund te 's-Hertogenbosch. Zij bouwden daar ook de eerste ringoven.

 

In 1920 gaat op Bato' s Erf bij Smits en Sigmund maar liefst 2 miljoen ongebakken stenen verloren als gevolg van hoog water en de daarop volgende overstromingen.

Nog weer later vinden we de heren R. en L. Terwindt in de fabriek. Hun kantoor hebben ze aan de Bijleveldsingel te Nijmegen.

In de laatste jaren van het bestaan van de steenfabriek was het grootste gedeelte van het productieproces automatisch. De stookkosten werden echter zo hoog (FL. 150.000,- per jaar!) dat het zinloos was om de productie verder voort te zetten. Daarom werd de fabriek in 1982 gesloten.

De fabrieken met bijgebouwen werd verkocht aan Kees van de Koppel uit Heerewaarden die er een groot recyclingbedrijf vestigde. In 1990 werd een deel van de oven weer ingebruik genomen en werden er weer stenen gebakken.

Een aantal jaren geleden zijn alle gebouwen gesloopt. Wat nu rest is een verwilderd terrein dat wacht om terug gegeven te worden aan de natuur. (natuurproject Sint Andries).

 

   

 

12-10-1907: Man zittende op een kruiwagen (A. van Soest, Bato's Erf) - getekend door Patricq Heleen Joan Kroon. Bron: Collectie Streekdrachten in Nederland, Nederlands Openluchtmuseum

 

u

 
De arbeiders

De arbeiders kwamen voornamelijk uit Dreumel, Heerewaarden en Alphen. In de maanden april tot oktober werkten er zo'n 90 tot 100 man.

Allereerst had je de stokers, die acht uur per dag werkten en dan weer 16 uur rust hadden. Ze verdienden zo'n FL. 25,- per week. Ze woonden, evenals de machinist , die de pers bediende, en de onderbaas in de huisjes bij de oven.

Als het regende werd de bel geluid en werden de arbeiders opgeroepen om de stenen die lagen te drogen, af te dekken met rietmatten.

Bij de beter betaalde baantjes hoorden ook die van inzetter (arbeiders die stenen in de oven brachten) en uitkruier (iemand die de stenen weer uit de oven haalde).

Dan had je nog de sorteerders, de handvormers en de stalknecht. De laatste had de zorg over zo'n 30 paarden die op de oven voor het transport zorgden. Deze paarden hadden een prima leven en werden vaak na één seizoen weer vervangen. Het beste paard was uiteraard voor de bedrijfsleider, die het voor de dogkar spande.

In de wintermaanden was er weinig werk en moesten veel arbeiders thuisblijven. Als er echter een schip geladen moest worden, waren ze er als de kippen bij om iets extra's te verdienen

Het drogen van de stenen gebeurde onder deze stellages
De ingang van de oven
 

 

Een kijkje boven op de ovens. Links de laatste bedrijfsleider, Dhr. van Bommel.

 
   
 

 

 

foto's: De Ruijter BV

 
Kijk ook eens op: http://www.janssenvandoorn.nl/bato's_erf.htm

bron: Tweestromenland nr. 44 ; Heekundeprojekt deel 1