De watersnood van 1926


Tijdpad

 

31 december 1925:
In de laatste week van 1925 teisteren regenvlagen en zuidwesterstormen het lage land. De Maas staat tot aan de dijken en de wind jaagt het water op de ondergelopen uiterwaarden van Overasselt hoog op. Niemand schenkt er echter bijzondere aandacht aan, want - bekend met de jaarlijkse overstromingen - zal het ook dit keer wel loslopen.

Daarom gaan veel inwoners van Overasselt op Oudejaarsmorgen naar de vroegmis van zeven uur. Plotseling wordt de pastoor in het voorlezen van het evangelie gestoord door mensen die de kerk binnenrennen en roepen dat "den diek is deurgebroken!" In paniek rent iedereen de kerk uit en de pastoor kan alleen nog maar naar het klokkentouw rennen om alle inwoners te waarschuwen.

 

De plek van de doorbraak

 

Dertig kilometer verder in Dreumel rinkelt om ongeveer tien uur 's morgens de telefoon bij de heer W. Philipsen. Deze krijgt van zijn broer uit Cuijk te horen wat er in Overasselt gebeurd is. Hij rent naar het gemeentehuis om het aan de burgemeester te vertellen en vanuit het gemeentehuis probeert men contact te krijgen met Overasselt. Tegen half twaalf lukt dat eindelijk en wordt het bericht bevestigd. De burgemeester waarschuwt pastoor Karsmakers en deze brengt de klokken in beweging.

De bevolking van Dreumel stroomt samen bij het gemeentehuis alwaar men het bericht te horen krijgt. Burgemeester van Erp en secretaris van Rossum besluiten het gemeentehuis die nacht open te houden en beginnen met de instelling van een Watersnoodcomité. Deskundigen verwachten dat het water binnen 48 uur in Dreumel zal zijn en een lichte paniek en angst maakt zich van de inwoners meester.

 

Rooijsestraat: Op het balkon van het gemeentehuis zien we van L-R: ambtenaar Dorus
Kooijmans, meester Harrie Vermeulen, veldwachter Van Hoeven, burgemeester
Alouis van Erp, onbekend en gemeentesecretaris J. van Rossum.

 

De bewoners van de huizen beginnen met het ontruimen. In eerste instantie wordt alles naar de zolder gebracht. Het Watersnoodcomité vordert de boten van de rivierventers en -vissers en deze worden over de dijk heen getrokken.

“Op de middag van die Nieuwjaarsdag ben ik nog op de fiets naar de Oude Maasdijk geweest. Je zag in de sloten al wat water opkomen en er was een enorme bedrijvigheid. Want ventersboten werden over de dijk gehaald en in het dorp verspreid. Daardoor konden we direct varen toen het water ons bereikte.” (J.G. van Rossum oud-secretaris van Dreumel)

"Oud- en Nieuwjaar waren dagen van angstige spanning, van sjouwen en tobben: huisraad, voedsel en kleding werden op de zolders geborgen en in de schuren. Het vee werd grotendeels ondergebracht in de hooggelegen boerderijen. De mensen waren in die twee dagen totaal afgetobd." (Pastoor Karsmakers).

Het Watersnoodcomité bepaalde, dat de zieke en gebrekkige mensen naar het klooster gebracht moesten worden. Ouden van dagen kregen een onderkomen in de pastorie.

 
1 januari 1926:
In de namiddag van Nieuwjaarsdag begint het water in de Dreumelse sloten langzaam te stijgen.

"Naast ons huis op de Boezemkade hadden wij aardappelen ingekuild als winterprovisie. Die hebben we er nog uitgehaald en meegenomen naar de Oude Maasdijk, waar Ome Jan in een hoger gelegen huis woonde. Ook de twee mestvarkens werden meegenomen, evenals de vink die in zijn kooitje aan de zolderwand werd opgehangen." (G. van Koolwijk)

Veel mensen uit Dreumel fietsen er die dagen op uit om het water tegemoet te gaan. In Appeltern en Altforst wordt men al door het water opgewacht en moet men rechtsomkeert maken.

Op zaterdag 2 januari 1926 bereikt het water Dreumel of zoals pastoor Karsmakers het beschrijft:

"Het was voor de afgetobde mensen een hele opluchting toen de "vijand" kalm en rustig - alsof wij niets van hem te vrezen hadden - ons vreedzame dorp binnen sputterde. Doch niemand - ook zij niet die de watersnood van 1865 hadden meegemaakt - kon vermoeden, dat de watervloed zo hoog zou stijgen en zulke vreselijke ellende zou veroorzaken."

 

Rooijsestraat: L-R: de huizen van Frans van Wichen, van Rossum en Cornelis Rutten.
Rechts achter de boot van W. Wegman staan Rutten en zijn vrouw L. van Rossum te
wachten. In de linker boot zien we G. van Beers, Manus de Rijk en J. Kusters.
In de andere  boot is J. Salet te zien. M.b.v. ventersboten wordt het vee van
 Frans van Wichen  naar de Waaldijk gebracht.

 

“Mijn vader stond bij Rutten en die zei: hier blijft het zeker droog. Ze verklaarden hem allemaal voor gek toen hij naar huis ging om te ruimen. Alles moest naar de zolder en de piano moesten we naar het café aan de dijk brengen. Zelfs de boerenkool haalde hij binnen en we moesten voor dagenlang brood in huis halen. Ver­volgens werden de koeien van stal gehaald en naar de dijk gebracht. We kregen het water hier op dat hoge punt nog tot over de vensterbanken heen binnen. En toen zagen we de koeien van Rutten achter de roeiboot aan langs onze voordeur zwemmen”. (Jo Numans)

Dijkgraaf de Leeuw uit Alphen voorziet als kenner van dit waterrijke gebied, wat de gevolgen zullen zijn voor Maas en Waal en geeft opdracht om op twee plaatsen in het laagste gedeelte gaten in de dijk te maken, zodat het water Maas en Waal weer uit kan stromen: Bij de Ruivert in Dreumel (hoek Maasdijk-Ruivertweg) en op Moordhuizen in Alphen. Grote groepen mensen gaan aan de slag om met de schop en de kruiwagen dit karwei te klaren. Maar veel effect heeft het niet want "wat de een open maakte, gooide de ander weer dicht." Bovendien duurt het veel te lang.

“lk ben naar de dijk geweest en daar stonden ze met pieken en schoppen te graven. Dat wordt niks, dacht ik; dat duurt veel te lang.” (Oud-machinist Johan Nijtmans in Dreumel).

 

 

In de nacht van 3 op 4 januari 1926 maakten de genietroepen uit Urecht o.l.v. commandant 1e luitenant J.H. Lohmeijer een m.h.v. dynamiet een coupure in de Maasdijk bij de gebroeders Van Lent (Maasdijk 20), zo vertelde gemeentesecretaris J. van Rossum. Dit gebeurde in het diepste geheim.

Het onderschrift bij deze tekening luidde: "EEN NIET-GEFOTOGRAFFEERD MOMENT UIT DEN WATERSNOOD kunnen wij hier in beeld brengen, dankzij de vaardige teekenstift van een ooggetuige. Het is het maken van een coupure in den Maasbandijk nabij Dreumel, in den nacht van 3 op 4 januari, door een detachement genietroepen onder commando van den eersten luitenant der genie J.H. Lohmeyer. In genoemden nacht kwam met behulp van springstof een coupure van 60 a 70 M. lengte en 2 1/2 a 3 M. diepte gereed; den middag daarna was deze tot 200 M. uitgebreid en nabij Alphen nog een coupure van 100 M. geslagen. De teekening geeft 't oogenblik weer, waarop een lading, in den kouden natten nacht, haar werk doet."
(Bron: Dreumel in oude ansichten, deel 2)
 
De evacuatie:
De stroom vluchtelingen komt op zondagmorgen 3 januari langzaam op gang; tegen de middag zet de veerpont deze mensen over naar Tiel. Allerlei verschrikkelijke berichten zorgen voor panieksituaties. In Tiel wordt de bevolking opgeroepen vluchtelingen in huis op te nemen.

Toen het menens werd zijn we uiteindelijk met een roeiboot naar den dijk gebracht. Daarvandaan gingen we naar de school, waar nu de zeepfabriek is. Daar bleven we een paar dagen. Toen gingen we bij café Van Wichen (later Voet) op de boot naar Tiel. Daar kwamen we voor één dag in het Sint Jozefgebouw. We werden er goed opgevangen. De volgende dag moesten we verder naar Nijmegen en wel met de trein. Dat was iets hoor! Ik was 16 jaar oud en had nog nooit in een trein gezeten. (Piet van Coolwijk)

Tegen de avond wordt duidelijk dat Dreumel diep onder water zal komen te staan. Burgemeester Van Erp besluit de hulp in te roepen van het R.K. Huisvestingscomité in Den Bosch. De voorzitter van dit comité, Jos van Mackelenberg, reageert adequaat:  het comité in Den Bosch richt bij de redactie van de "Bossche Courant" een noodpost in en iedereen die een auto heeft, wordt opgebeld.

Om half negen 's avonds vertrekt de eerste colonne auto’s bussen en in deze woeste stormnacht begint dan de evacuatie van Dreumel. In deze vreselijke storm wordt het water tot ongekende hoogten opgezweept. De bomen van de tientallen klompenmakers dienen het water als stormram tegen de muren. Ramen en deuren gaan er aan en in de nacht van zondag op maandag storten de eerste huizen in. De slappe, zwakke arbeidershuisjes met de rieten daken drijven weg. Has Sas maakte de opmerking: "Nu wordt mijn huis een grote boerenhofstede."

 
Maandag 4 januari:
In de nacht komen de eerste 120 vluchtelingen uit Dreumel aan in Den Bosch. Tegen de morgen komen er nog zo'n 130 bij. Vanaf de Heerewaardensestraat (er lag nog geen van Heemstraweg!) rijden de auto's af en aan. Vele anderen uit Maas en Waal hebben hun intrek genomen in Tiel of Nijmegen, waar ze liefdevol worden ontvangen. Sommigen hebben het geluk met hun gezin onderdak te vinden bij familie elders.

"Wij wachtten met ons gezin angstig af, wat er verder gebeuren zou. Van de schippers die met hun boten door de Oude Maasdijk en over de Boezemkade voeren kregen we berichten door. De varkens op zolder kwamen al in het water te zitten en we maakten daarom een verhoging op de muren van de hokken. Dat duurde echter niet lang; ik moest op een gegeven moment in een boot naar de Rooij toe om een andere boot te gaan halen om daarmee de varkens naar Heerewaarden te brengen. Ik bracht ze toen naar een boer aldaar, vertelde hem van wie de varkens waren en beloofde om later met voer terug te zullen komen." (G. v. Koolwijk).

In andere delen van Maas en Waal zijn op dat moment zo'n 300 mariniers en pontonniers actief om met hun vaartuigen mensen van de zolders af te halen.

 

 

Maandagnacht 4 januari arriveert op dringend verzoek van dijkgraaf De Leeuw een detachement van de Genietroepen o.l.v. 1e luitenant Lohmeijer bij de plaatsen waar men met het graven is begonnen. Met behulp van zo'n 1200 kg trotyl laat men de dijk op twee plaatsen springen. Het zijn enorme knallen die gepaard gaan met enorme rookwolken, waarbij de "bonken" klei tot ver in de omgeving rondvliegen en op sommige plaatsen dwars door de daken gaan.

"Je zag door de gaten in de dijk hele daken de Maas op gaan, soms met de kippen erop. (G. van Koolwijk)

 
 

"Ook het vee moest worden weggebracht. Bij vele Brabantse boeren werd het ondergebracht. De honden die los op de dijk liepen werden doodgeschoten, omdat zij vanwege de honger de kalveren aanvielen." (Pastoor Karsmakers).

“Onze koeien thuis, gingen op de boot en kwamen in Den Dungen terecht. Dat gebeurde met de Lithse Boot. Maar eerst zijn ze trouwens nog gestald bij de noodschuur op de Vluchtheuvel.” (Piet van Coolwijk)

Politie en Marechaussee zetten de gemeente Dreumel af, want onder de vluchtende mensen bevonden zich ook lieden die probeerden varkens op te kopen voor een paar kwartjes.

In geheel Nederland kwamen nu langzamerhand allerlei acties op gang. Journalisten en fotografen bezochten het Land van Maas en Waal en besteedden veel aandacht aan de ellende.

"Het vele vee moest vanuit de warme stallen het koude water in; zwemmend achter de boten aan werd het naar de dijk gebracht, waar men voorlopige onderkomens bouwde." (Piet v.d. Pol)

Ook waren er enorm veel sikken in Dreumel. Deze hadden als treurige bijnaam: "de koe van de armen". Toen deze dieren bij "Den Bol" in de schepen werden geladen, maakte Has Sas de komische opmerking: "Aanpakken heren, die arbeiders-koeien!"
 

Dreumelse vluchtelingen in de Isabellakazerne in Den Bosch

 
Evacuaties naar Den Bosch, Tiel en Nijmegen

Van hogerhand kwam het bevel tot evacuatie. Op een volgepakte passagiersboot voeren wij met onze schamele bezittingen naar Den Bosch waar wij in de Isabella-kazerne aan de Vughterstraat werden ondergebracht. Vader bleef vanwege zijn functie als polderopzichter in Dreumel achter. In de kazerne werden we heel goed opgevangen. De dames en de heren kregen een aparte zaal.

Kribben of ledikanten waren er niet, dus lagen we allemaal los in het stro. Na een paar dagen kwamen er plankjes die als looppad gebruikt werden en weer wat later strozakken. We kregen warme chocolade en brood. Toen alles zo'n beetje in het gareel liep kregen we te horen, dat wie weg wilde, dat kon doen. Maar eerst moest je onder de douche en ontluisd worden. Mijn moeder, broers en zussen werden bij verschillende gezinnen in Den Bosch ondergebracht. Ik bleef echter nog zo'n week of drie in de kazerne." (G. v. Koolwijk)
 


Pastoor Karsmakers


Kapelaan Spolders

 

1926-02-02: datum waarop deze foto-ansichtkaart door pastoor Karsmakers verstuurd is aan aannemer Nico de Bonth in Nieuwkuijk. Deze aannemer bouwde in 1925 de torenspits op de kerk en kende zowel Karsmakers als Spolders die beiden kapelaan waren geweest in Nieuwkuijk.  (Foto is waarschijnlijk enkele dagen eerder gemaakt).. Rooijsestraat: foto genomen ter hoogte van het klooster. Links het electriciteitshuisje. Centraal in de foto staan L-R: meester Harrie Vermeulen en gemeentesecretaris Johan van Rossum.
 

De pastoor moest op een gegeven moment met zijn vijftig medebewoners (ouden van dagen) de pastorie verlaten. Elke dag had hij nog de H Mis gelezen door met de roeiboot naar de kerk te varen. Het priesterkoor en de beide sacristieën bleven van het water gevrijwaard. Sommige kruizen op het kerkhof werden door het water meegesleurd en werden later op grote afstand teruggevonden. De pastoor verbleef slechts één dag elders en keerde dan weer terug met zijn huishoudster en knecht.

Gelden, boeken en andere bescheiden werden naar de pastorie in Wamel gebracht. Kapelaan Spolders verbleef in een woning aan de dijk om bij plotselinge ziektegevallen aanwezig te kunnen zijn. Hij heeft in die dagen enorm veel werk verzet.

"Het meest schokkende en droevige toneel deed zich voor bij het Gasthuis, (klooster). Daar waren zo'n 80 zieke mensen uit Dreumel ondergebracht. Toen het bevel tot evacuatie kwam was het geklaag en geween niet van de lucht. Vele zieken smeekten om hen maar hier te laten sterven. Maar het harde maar wijze bevel moest uitgevoerd worden. Al die ellendige stumpers - van wie enigen in jaren het bed niet hadden verlaten - moesten vluchten en de droevige harde weg van ballingschap inslaan. Een stervende, een moeder in barensnood, zij moesten op ladders uit de bovenste verdieping worden neergelaten in de vaartuigen van onze kranige Dreumelse jongens …" (Pastoor Karsmakers).

 

1926: foto genomen voor het klooster in Dreumel tijdens het bezoek van Zuster Casimir, hoofd van de Congregatie uit Valkenburg.
 

Zittend L-R: Zuster Tharsilla (1895-1981), zuster Majella (1873-1943), vicaresse, zuster Casismir (1872-1927), waarde moeder uit Valkenburg, zuster Sophia (1884-1968) moeder overste, zuster Medarda (1884-1965).
 
Staand L-R: zuster Isidora (1899-1974), zuster Charitas (1900-1990), zuster Ludovica (1856-1955), zuster Raymunda (1884-1944), zuster Justitiana (1879-1952), zuster Kalista (1901-1942), zuster Theodora (1893-1964), zuster Chantal (1900-1972).
 

Zuster Isidora beschrijft in haar dagboek het volgende over de evacuatie van het klooster St. Barbara:

"Zelfs Onze Lieve Heer moest uit de Kapel en de Kerk vertrekken naar de dijk. naar het hoogst gelegen huis. Bij eenvoudige mensen mocht Ons Heer in de beste kamer op tafel staan Maar toen ook het vee naar de dijk kwam en men niet wist waar men de kleine biggetjes moest laten, bleef er niets anders over, dan deze beestjes in de kamer onder te brengen bij Onze Lieve Heer. Zodoende logeerde Onze Lieve Heer op tafel en de biggetjes eronder.

Toen het klooster ook ontruimd moest worden, was dat bijna een onbegonnen werk. Dreumelse jongens, geholpen door soldaten, die Hare Majesteit uit Den Haag had gestuurd, kwamen met boten te hulp. Er werd een ladder op het platte dak bij het raam gezet, en één voor één werden de oudjes en de anderen op een stevige stoel met leuning gezet en zo ging het naar beneden. Zo kwamen allen in de boten en ging men naar de Waaldijk. Hier lag een grote boot gereed, die ons allen opnam en we vertrokken naar Tiel.” (citaat uit dagboek Zuster Isidora)
 

Dinsdag 5 januari:
Het water steeg nog steeds. "Op de weg naar Alphen staat dan zo'n 6 meter water." (Pastoor Karsmakers)

Daarom werden de gaten in de dijk door de genie nog breder gemaakt. Maar door de ontstane stroming werden weer vele huizen vernield.

 

Woensdag 6 januari:

Na de Maas begon nu ook op de Waal het water te vallen. De dijken hadden verder stand gehouden. Dag en nacht werden ze bewaakt en op enkele plaatsen moest men met man en macht werken om te voorkomen dat een afschuiving tot een doorbraak zou leiden. Ook al was het gat in de dijk bij Dreumel ondertussen verbreed tot zo'n 150 meter, er kwam nog altijd meer water Maas en Waal in, dan er uitging. Zodat Maas en Waal steeds dieper onder water kwam te staan, vooral Dreumel en Alphen.

 

Dreumel onder water (Fragment uit KLM film, 10-01-1926)

 

Donderdag 7 januari was er weer zo'n 26 cm val op de Maas. Samen met Alphen was Dreumel één van de meest geteisterde dorpen; er zijn ongeveer 70 huizen vernield!

Alle gebieden waren nu hermetisch afgesloten. Zo'n 2200 Dreumelnaren vertoefden elders, terwijl een klein groepje mannen in Dreumel achterbleef. De leden van het Watersnoodcomité verbleven in het gemeentehuis waar het water tot aan het balkon stond. Niemand mocht meer Dreumel in of een boot gebruiken, zo luidden de bevelen van de marechaussee.

In het oosten van Maas en Waal, waarschuwde diezelfde marechaussee dat er geschoten zou worden als men de regels zou overtreden.

De mensen op het gemeentehuis moesten hun "behoeften" doen over de rand van het balkon aan de voorkant van het gemeentehuis. De toilet op de benedenverdieping was immers niet bruikbaar. Het werd een ramp apart toen er diarree uitbrak! (Ontstaan door het eten van het kleffe, muffe brood, gebakken van muf koren!) Het werd daar voor het gemeentehuis een soort open riool!

 

In tegenstelling tot de toenmalige regering was Koningin Wilhelmina zeer begaan met de slachtoffers van de watersnoodramp. Op 2 januari was zij al in Nederasselt, Balgoy en Alverna geweest in gezelschap van de Commissaris van de Koningin, Baron van Heemstra. Een week later, op zaterdag 9 januari, bezocht Hare Majesteit met haar gevolg de vluchtelingen in de kazernes te Den Bosch.

In de Isabellakazerne en in de Citadelkazerne waren 204 mannen, 197 vrouwen en 456 kinderen opgenomen. Die laatsten werden meestal doorgezonden naar gezinnen. Er werden 126 vluchtelingen opgenomen in ziekenhuizen, waarbij 67 vrouwen uit Dreumel. Van die zieken zijn 4 mannen en 1 vrouw uit Dreumel overleden.

De koningin bleef enkele uren in de kazernes en verzorgingstehuizen, die vooral door vrouwen uit Dreumel werden bewoond. Daar beloofde ze, dat goed voor hen gezorgd zou worden en vrouwen die haar schreiend vertelden, dat ze alles verloren hadden wat ze bezaten, beloofde ze dat ze ook hun huisjes zouden terugkrijgen.

"Elke dag kwam er een man van V & D ons uit een kerkboek voorlezen en voorbidden. Dat bidden hebben we hém echter wel eerst moeten leren. Als je zo braaf zit te bidden is er altijd wel iemand die de boel op stelten wil zetten. Zo gooide iemand tijdens het gebed Manuske Jonkergouw een fluim pruimtabak tegen z'n hoofd. Fatsoenshalve moest Manus z'n mond houden, maar toen het gebed voorbij was, brak de hel los.

In die tijd werd er ook voor ondergoed gezorgd. Het paste wel niet, maar met een spijker aan de broekgulp kwam dat niet zo nauw. Zo hebben we wel een week of zeven rondgelopen. Ook kreeg je de kans om te biechten. In een zaal werden de ledikanten omhoog gezet en achter het netwerk zat dan een priester. Elke dag gingen we naar de paardenstallen op de Parade. We gingen daar opruimen en mesten om zo iets om handen te hebben. (G. v. Koolwijk)

 

Zondag 10 januari: De Maas valt nog steeds en bij de doorbraak in Nederasselt loopt nu nog slechts 50 cm water in. De uitlaten in Alphen en Dreumel winnen het nu. Er is hier zo'n 24 cm val. Maar op de meeste stukken staat nog steeds zo'n 3 tot 4 meter water.
 

Waaldijk: voorop zien we verzekeringsagent C. v. d. Eyk.Op 30 januari 1926 publiceerde tijdschrift "De Prins" deze foto met het volgende onderschrift:

"Ijs-e-lijke gevolgen van de Overstroomingen in 't "Land van Maas en Waal". De (Waal)dijk te Dreumel bij Tiel met een gladde ijsmassa bedekt, zoodat het loopen in hooge mate bemoeilijkt werd, wat duidelijk op de foto merkbaar is. - De natuur heeft, wanneer men de foto oppervlakkig beschouwt, op den dijk een soort sierkleed met franjes uitgespreid... Hoe betreurenswaardig, dat die uiterlijke versiering zooveel leed verbergt!
 

Ook op maandag 11 januari valt het water nog steeds, maar nu is de wind naar het noorden gedraaid en jaagt de kou de mensen op de vlucht, In Dreumel wordt een verslaggever van "De Maasbode" opgevangen door kapelaan Spolders, die sjouwershanden heeft en in een rafelige pij rondloopt en zegt: "Ge komt als geroepen, gij kunt tenminste aan de mensen zeggen dat minister Colijn er niets van weet als hij durft te beweren dat een watersnood niet zo'n erge ramp is."

Van de 2600 inwoners van Dreumel zijn er nog 500 in het dorp en die zitten allemaal op de bovenverdiepingen van de huizen in en op de dijk. Op die verdiepingen wordt kou geleden en ook wel angst doorstaan.

 

Dinsdag en woensdag 12 en 13 januari loopt er nog altijd water in bij Nederasselt, maar nu is het de vrieskou die overal het water doet vallen. Daarbij valt er veel sneeuw.

"Het vroor zo hard dat je wel met kar en paard over het ijs kon. Maar doordat tegelijk het water viel. bleef het ijs allemaal aan de boomkruinen zitten. Daardoor scheurden alle takken eraf. Er waren juist de laatste jaren nogal wat jonge boomgaarden ingepoot en die gingen er allemaal aan. Geen boompje van minder dan tien jaar oud overleefde hel. Er waren trouwen ook heel wat oudere bomen waarvan de stam openscheurde onder het gewicht van de ijsschollen aan de takken." (Francis Sas)

"Enkele stammen werden nog met ijzeren bouten aan elkaar gedraaid, maar ook dat was geen succes." (G. v. Koolwijk)

 

In de omklemming van het ijs. Deze mooie boomgaard in den westhoek van het
Land van Maas en Waal is ten doode opgeschreven; het ijs klieft de stammen,
waardoor een waarde van F 25.000 verloren ging. Een voorbeeld uit vele!
(Bron: 1926-01-25 Algemeen Handelsblad-02A).

 

In  de daarop volgende dagen zakte het water steeds meer. In Dreumel bleken tot dat moment 127 huizen te zijn ingestort. In de meeste dorpen waren watersnoodcomité ‘s opgericht en ook provinciaal bestond er al een commissie die zich met de schadevergoedingen zou gaan bezighouden.

Er ontstonden in die dagen ook problemen over de vergoeding voor het stallen van vee. De gemeente Tiel, die de particulieren een vergoeding had toegekend, stuurde de rekeningen door aan onder andere de gemeente Dreumel.

"We schrokken niet weinig van die rekeningen, want in Brabant hadden de boeren het vee uit ons dorp voor niets opgenomen en nu moesten we ineens het volle pond betalen. Dat bleken we ook in Nijmegen te moeten, zodat we uiteindelijk de rekeningen maar betaald hebben, al waren we daar slecht over te spreken." (oud-secretaris van Rossum)

De gemeentebesturen vreesden verder besmettelijke ziekten, omdat het terugtrekkende water een dikke laag stinkend slib achterliet, waarin men ook wel kadavers van huisdieren aantrof. Daarom werd het de vluchtelingen verboden in hun huizen of de resten daarvan terug te keren, voordat die ontsmet en gekeurd waren.  Het duurde maanden voordat het water weg was.

 

27 januari: vertrek naar gastgezinnen en naar Dreumel:

Over het vertrek der vluchtelingen op 27 Januari - deels naar Dreumel, deels naar gastgezinnen in o.a. Udenhout - schreef een verslaggever onder meer:

“Wat de invloed van het werk van het R. K. Huisvestings Comité is, konden wij rijkelijk constateeren. Op al die gezichten, waarop bij hun komst begin Januari, slechts angst, vertwijfeling en droefheid stond te lezen, lag nu een lach van tevredenheid, een blos van uitnemende zorg en doorvoedheid. Het leed was vergeten door allen en wij vonden er zelfs oprechte plattelandsblijheid en een tikje humor. Pietje Hoogmoed namelijk, een Dreumelsche jongedochter met zangtalent en materiaal dat aan een Dreumelsche opera zou kunnen doen denken, vergastte de tot vertrek wachtenden en de tot afscheid aanwezige liefdadigheidsdames op enkele hartroerende liederen uit haar uitgebreid repertoire. En alle moeders stonden er met hun bébé's op den arm om heen, terwijl enkele jongetjes met open mond en groote naar „Pietje" opstarende oogen stonden toe te luisteren.” (originele spelling gehandhaafd - citaat uit Verslag R.K. Huisvestingscomité).

Op een gegeven moment werden de vluchtelingen ondergebracht bij gastgezinnen in Brabant. Zo kwam ik in Udenhout terecht bij een zeer strenge boerenfamilie. Ik mocht daar niks! Voeding, kleding en slaapgelegenheid waren er prima, maar de vrijheid was zeer beperkt.

Overdag hielp ik op de boerderij met mesten, strooien en voederbieten snijden. Of ik moest kunstmest zaaien of ploegen, 's Avonds na het werk werd door die mensen de werkplunje verwisseld voor het "galakostuum" (pet en das). Zo zat men dan te kaarten. Toen mijn vader op een dag op bezoek kwam en me daar zo zag zitten, was het eerste wat hij zei: "Pet af jongen, das af jongen". Hij kon maar moeilijk begrijpen dat het hier een gewoonte was van die mensen. Na een week of zeven keerde ik weer terug naar Dreumel." (G. v. Koolwijk)

 

Op zaterdag 30 januari kon men weer te voet bij het gemeentehuis in Dreumel komen.

Terwijl in verscheidene dorpen al noodwoningen door het Bouwbureau werden geplaatst, kon dit in Dreumel pas geschieden in de week van 21 april, toen pas de laatste marechaussee vertrok.

Op vrijdag 19 maart bracht koningin Wilhelmina incognito een bezoek aan Wamel en later aan Dreumel aan de Waaldijk, welke binnendijks bezaaid lag met stapels aangespoelde deuren en kozijnen, die klaar lagen voor de openbare verkoop.

Waarschijnlijk wist men - ondanks geheimhouding - van de komst van de vorstin, want toen Wilhelmina een van de huizen binnenliep, werd zij door de bewoonster begroet met "Bent u nou de koningin? Dan wacht effe, ik moet gauw de buurvrouw halen, want die moet de koningin toch ook zien!"

Aan de Oude Maasdijk sprak de koningin enige tijd met Frans van Oorsouw, die al drie watersnoden had meegemaakt en die ze ook al in de Isabella-kazerne had ontmoet.

Daarna reed ze in de auto van de dijkgraaf over de Maasdijk naar Alphen waar ze even stilstond op de plaats waar men de dijk had laten springen.

 

Bergsteeg: zelfgebouwde noodverblijven

 

De nazorg

Veel was er vernield door deze watersnood. En dankzij een landelijke inzamelingsactie werd de eerste nood gelenigd. Maar dat was niet voldoende. Vanuit Den Haag was echter ook weinig te verwachten. Minister-president Colijn zag een dijkdoorbraak als een lokale aangelegenheid: “Wie in een laaggelegen gebied tussen de rivieren wilde wonen, diende zélf de dijken op peil te houden.” Een cycloon zoals in 1925 in Borculo kon niet door mensenhanden geweerd worden, maar met een dijkdoorbraak lag dat anders, vond de minister-president.

Slachtoffers van een watersnood waren aangewezen op de liefdadigheid en daarvoor was er al sinds 1857 in Amsterdam op initiatief van de vermogende Weyting een "Algemeene Vereenigde Commissie" tot leniging van rampen opgericht. Bij voorgaande watersnoodrampen was het dit comité geweest dat de landelijke inzameling organiseerde.

Ook het R.K. Huisvestingscomité uit Den Bosch heeft erg veel gedaan om de eerste nood te lenigen. Er werd o.a. brood uitgedeeld in de dorpen en niet alleen dat! Het verdeelde de door de boerenbonden bijeengebrachte goederen onder de getroffenen.

Maar bij de verdeling werd toch met andere maten gemeten dan de bedoeling was. "Wie het dichtst bij het vuur zat, warmde zich het best! De grote lieden die in de commissie zaten, hielden de beste dingen voor zichzelf en gaven de rest aan vrienden en kennissen. Wie niet in tel was, kreeg niets! (en dat waren er velen!)" Dit soort uitspraken hoorde je toen vaak.

Vele maanden na de ramp waren er in de gemeenteraad van Dreumel nog hooglopende ruzies, waarbij men elkaar beschuldigde van diefstal tijdens de watersnood.

"Die beschuldigingen zijn echter vals", zegt oud-gemeentesecretaris van Rossum en toentertijd secretaris van het Dreumelse Watersnoodcomité. "Er werd van alles ondernomen om geld bijeen te krijgen voor de slachtoffers. Zo werden er bijvoorbeeld op de dijk aan de toeristen prentbriefkaarten verkocht. Maar dat geld is allemaal, voor zover wij er als gemeentebestuur en commissie bij betrokken waren, tot de laatste cent verantwoord."

Pas half april 1926 kon men in het westelijk deel van Maas en Waal aan de schadebepalingen beginnen, omdat dat toen pas droog kwam te liggen.

Toen was men in het veel minder getroffen Brabant al begonnen met de uitbetalingen. Het staat dan ook vast dat de slachtoffers daar veel royaler werden bedeeld dan onder andere in Maas en Waal. Ook de samenwerking tussen de verschillende comités liet te wensen over en op het sociale front kwam er onrust.

De in 1926 opgerichte Werkliedenvereniging “St. Jozef” organiseerde vele avonden waarop harde woorden werden gesproken. Maar men werd fors tegengewerkt door het burgerlijk en kerkelijk gezag. Die dachten dat men overal tegenop kwam en dat er een revolutie dreigde! Er werd met ontslagen gedreigd en dat maakte veel mensen bang.

Pastoor Karsmakers ageerde fel tegen deze bond. Hij wilde bij de oprichting van de bond ook geen geestelijk adviseur worden en verbood dat ook aan de kapelaan (kapelaan Bos). De bisschop van Den Bosch wees de kapelaan echter aan voor deze taak. Vanaf dat moment was de verhouding tussen pastoor en kapelaan helemaal verstoord en werd het de bond verboden te vergaderen in het patronaatsgebouw tegenover de kerk (gebouwd in 1930).

Ook landelijk kregen de problemen met de uitbetalingen in Maas en Waal aandacht. Talloze Kamerleden kwamen hier een kijkje nemen, maar hun interpellatie in de Tweede Kamer leverde niets op.

Van de gekochte noodwoningen werden er zo'n 74 in Dreumel geplaatst. Er moesten echter in veel dorpen nieuwe woningen gebouwd worden. In Dreumel werden deze watersnoodhuizen gebouwd aan de Schepenstraat, Hoge en Lageweg, Hofhooistraat, Margrietstraat, de Oude Maasdijk, de Kooimolenweg en de Griendweg.

 

Noodwoning aan de Bergsteeg (nu Van Heemstraweg)_

 

Het gerucht dat men hierop een nieuwe hypotheek moest nemen, zorgde voor veel onrust, vooral omdat veel mensen nog een hypotheek op hun oude en nu vernielde huis hadden. Bij veel mensen zette dit kwaad bloed en men kwam hiertegen in opstand. Vele mensen die bang waren dat ze nooit meer uit hun noodwoningen zouden komen en gestimuleerd door de belofte dat er aan hun nieuwe huizen gewerkt zou worden, tekenden de eerste maanden van 1927 een bereidverklaring of een hypotheekacte.

Maar vooral in Dreumel en Wamel bleven tientallen onwilligen. Het Bouwbureau dreigde, indien men de akte niet zou tekenen, het nieuwe huis niet te zullen afbouwen. Sommige mensen namen echter met geweld bezit van hun nieuwe woning. Via de krant deed zelfs pastoor Karsmakers een beroep op de regering van dit plan af te zien, maar ook dat hielp niet.

In de jaren daarna volgden nog talloze processen tegen mensen die weigerden te betalen. Al met al zijn de problemen en frustraties na deze watersnood er mede oorzaak van geweest dat de bestaande machtsverhoudingen in de jaren dertig overhoop werden gehaald.

Het vrij katholieke Maas en Waal - veelal stemmers op de RKSP (Roomsch Katholieke Staats Partij) - gaf zijn stem aan de SDAP (Sociaal Democratische Arbeiders Partij), maar meer nog aan de door de Katholieke Kerk verboden NSB (Nationaal Socialistische Beweging). In 1935 stemde in Dreumel al 12% op deze partij!

In dat jaar liepen al honderden Maas en Walers achter de actie-Bouwman aan, die al evenzeer gericht was tegen de bestaande machtsverhoudingen en zich in antidemocratische richting ontwikkelde. West Maas en Waal had aan het eind van de dertiger jaren veel NSB-ers; vooral brood-NSB-ers, die met vele anderen alle vertrouwen hadden verloren in hen door wie ze bestuurd en vertrapt waren.

Ook met het vee werd na de watersnood een vies spelletje gespeeld. Deze beesten kwamen - sterk vermagerd - op de veemarkt in Den Bosch terecht. Iedereen die zijn beesten daar had afgegeven, kon ze daar weer op komen halen. Omdat men nog niet de beschikking had over schetsen en nummers, werd daar door sommigen nogal misbruik van gemaakt.

Later konden we het vee in Den Bosch op de markt terughalen. Ik zie de beesten nog hier door het tuinhek binnenkomen.” (Jo Numans)

 

Schoolstraat: huis van Grad van Leur. Cees van Beers bouwde op
deze plaats een nieuw huis. Op de achtergrond de R.K. Ker
k.

 

Terugkeer naar Dreumel

“Bij terugkomst lag het huisje plat. Alleen de potkachel stond er nog, rechtop! De zolder vonden we terug bij Driekske van Deursen in de boomgaard. We hebben toen in een huisje gewoond dat in de boomgaard van Gradje van Dinter stond. We zaten daar 6 weken en onbegrijpelijk, we werden bijna opgevreten door de muizen!! Niet te snappen, waar die beestjes vandaan kwamen!

Daarna gingen we naar een houten noodwoning op de Oude Dijk. Vader heeft er een noodschuur bijgezet voor het vee. We verbleven daar ongeveer een jaar. Toen waren de watersnoodhuizen klaar. We kwamen weer thuis! We kregen een knap groot huisje, type 2. Hein Gerlach kreeg een iets kleinere woning, type 3. Type 5 was het allerkleinst, dat was alleen een kamertje en een keukentje; geen W.C., die was dan buiten.

Financieel kwam er ook heel wat kijken. Vader kreeg 800 gulden hypotheek en moest 100 gulden per jaar aflossen. Zo niet, dan er uit, dat waren de voorwaarden! Maar dat viel niet mee. We hebben 2 keer f 100,— betaald, toen werd de rest kwijtgescholden.” (Piet van Coolwijk)

 
Nasleep

Problemen waren er ook over de vergoeding voor het stallen van vee. De Betuwse boeren dreigden de beesten aan de dijk te zullen zetten en ook de gemeente Tiel, die particulieren een vergoeding had toegekend voor het stallen van vee uit Maas en Waal, stuurde de rekeningen daarvoor door aan de gemeenten Wamel en Dreumel.

Een situatie die de bekendste tekenaar van die dagen, Dr. Louis Raemaekers, inspireerde tot een geladen tekening in De Telegraaf van 21 februari 1927. Naast een vlammend artikel van Henri van Wermeskerken tekende hij enkele berooide Maas en Walers, die de deur van hun huisje dichtgespijkerd vinden omdat de rijken hen vóór zijn geweest.

 

 

Hypotheekkwestie

De 275 nieuw gebouwde watersnoodwoningen, waarvan er 121 op een nieuw terrein waren gezet, werden uiteindelijk allemaal in het voorjaar van 1927 betrokken. Degenen die weigerden de hypotheekakte te tekenen kregen er geen schuur bij en menigeen moest ook zijn eigen huis afmaken. Tien gezinnen werden in verband met hun sociale omstandigheden van hypotheek vrijgesteld; 66 mensen weigerden elke medewerking en 33 mensen, die wél een voorlopige verklaring hadden getekend, weigerden later de hypotheekakte te tekenen. Er gingen nogal wat dreigementen de deur uit, die soms ook in de krant kwamen, en omdat de regering later ook genoegen nam met een tweede hypotheek werden er in de loop van 1927 uiteindelijk 144 hypotheekakten gepasseerd.

“Het was een onrechtvaardige zaak, die hypotheken en er kwamen ook mensen uit Borculo hier om ons op te stoken dat we dit niet moesten pikken. Maar later werd ook De Zwart voorzichtiger en zagen de mensen toch wel in dat ze er een stuk beter van werden. Ze hadden meestal maar van die kleine huisjes in de berm van de weg gehad, waarbij ze dan wel acht of negen are in gebruik hadden, die van de polder bleek te zijn. Als dat was opgemeten bleken ze soms nog geen halve are te hebben gehad en nu kregen ze er toch ook allemaal een flink stukje grond bij. Ze kregen er meestal ook, als ze dat wilden en er niet bang voor waren, gratis elektriciteit in, zodat ze er wel ietsjes beter van waren geworden.” (Francis Sas ex-secretaris R.K. Werkliedenverbond Dreumel).

Toen het Bouwbureau in september 1927 werd geliquideerd waren er echter nog altijd heel wat watersnoodhuizen, die niet waren afgewerkt en in het bestuur van de Stichting drong De Coster er op aan, voorbeelden te gaan stellen en weigeraars uit hun huizen te zetten.

Watersnoodwoningen aan de Schepenstraat, gezien vanuit de Hogeweg.

 

Ook de z.g. halve weigeraars, die hadden getekend op straffe van f 300,- de hypotheek te zullen aanvaarden en nu stuk voor stuk voor de rechter werden gedaagd om veroordeeld te worden tot het betalen van die boete plus f 108,40 aan kosten, lieten zich niet onbetuigd. Soms ging er een brief naar de Koningin …

Dreumel 15 Juli 1929

Ge Eerbiedigde Vorstin!

Met vertrouwen richt ik tot uwe Koninglijke Hoogheid eenige woorden. Ik ben een slachtoffer van den Watersnood 1926. Mijn huis was vernield met alles wat ik bezat nu heb ik een nieuw huisje maar met een zware hypotheek.

Mijn vorig huis was al met een hypotheek belast waarvan ik met veel moeite de rente kon betalen, nu heb ik tot heden geweigerd de hypotheek acte te teekenen omdat ik mijn eigen vonnis teeken.

Nu is er een rechtsvervolging tegen mij ingesteld wegens die weigering. Liefdadig Nederland bracht ruim 4,5 miljoen geld bij een voor die ramp en voor de noodlijdende. Mij is slechts 200 gulden toegekend voor al mijn verlies. Daarvan heb ik mij zelf een noodwoning gebouwd; heeft gekost 169 gld, bleef nog 40 gld over voor aankoop van huisraad. Ook van al de geschonken meubels heb ik zoo weinig gehad. Nu zijn er reperaties aan huizen van Grondeigenaars geschied van 4000 Gulden en hooger geheel gratis. Ook nieuwe huizen zonder hypotheek welk ik een groot onrecht noem; hier is weer de kleine man de dupe.

Ik ben klein landbouwer, vader van een gezin met zeven kleine kinderen en het achtste wachtende. Ben zelf twee maal geopereerd zoo dat zware arbeid mijn veel pijn veroorzaakt.

Moge deze regels Geeerbiedigde Vorstin bijdragen om door uw Hooge bemiddeling ontslag van rijkshypotheek of vermindering hiervan te verkrijgen (originele spelling gehandhaafd).

 

 
Bronnen:
Heemkunde – project Deel 1 - Jan van Welie/Jos van Koolwijk (november 1991);
Wee den vergetenen! - Huub van Heiningen (september 1985)
Verslag R.K. Huisvestings-Comité, ‘s Hertogenbosch (maart 1927)
Dagboek Zusters Franciscanessen Dreumel – Zuster Isidora (1926)
Aantekeningen watersnood 1926 – Pastoor Karsmakers (1926)
Diverse krantenartikelen 1926-1927