Herinneringen van Gerrit Gerlag
(Bron: De Gelderlander 6 januari 1996)


‘Mijn vader kreeg alleen een te grote broek’

Moeizame wederopbouw van het Land van Maas en Waal
na de rampzalige watersnood van begin 1926

 

Onderstaand artikel, geschreven door Ernest Mettes, verscheen in De Gelderlander van 6 januari 1976. Naast de twee reeds aanwezige foto’s zijn er door de redactie nog wat extra foto’s aan toegevoegd.
 

Voor het derde achtereenvolgende jaar leven de bewoners van Maas en Waal deze winter met de angst voor een dijkdoorbraak. De laatste keer dat er écht een dijk doorbrak is nu zeventig jaar geleden, op oudejaarsdag 1925. De gevolgen waren rampzalig.

In drie dagen tijd veranderde het gebied in een binnenzee, die in het westen vier meter diep was. De chaos was enorm en veel mensen verloren het weinige dat ze hadden. Drie maanden later was het water eindelijk verdwenen, Maar pas na twee en een half jaar had iedereen weer een dak boven het hoofd.

Gerrit en Grada Gerlag bij de watersnood-woningen in de Dreumelse Hofhooistraat. (foto: Jan Rikken)
 
Deze week halen we herinneringen op aan die watersnood van 1926, met de mensen die er bij waren. Vandaag het vierde en het laatste deel. De vorige afleveringen verschenen in de krant van 30 december, 3 en 4 januari.
 

Vanaf 8 januari 1926, acht dagen na de dijkdoorbraak bij Overasselt, begon het water eindelijk te zakken. Bijna overal in Maas en Waal heersten nog paniek en ontreddering, maar op de hoogstgelegen plaatsen was het ergste nu voorbij.

Rond 20 januari zakte het water bij Dreumel zo ver, dat de gaten in de Maasdijk niet meer uitliepen. Die moesten nu snel dicht gemaakt worden, omdat de Maas weer ging wassen. De rest van het water werd in de daarop volgende maanden uitgemalen door de stoommachines van Dreumel en Appeltern (Appeltern moet Wamel zijn- redactie).

Op de huizen die onder water gestaan hadden, zat een dikke laag stinkend slib en er lagen kadavers van dode dieren. Alles moest schoon geschrobd en ontsmet worden.

Snel begon men met de bouw van houten noodwoningen voor daklozen, maar veel mensen moesten nog lang in een overeind gebleven schuur doorbrengen. Sommigen zorgden zelf voor een noodwoning, zoals een Wamelnaar die een ‘oliekoekenkraam’ kocht in Tiel.

Gerrit Gerlag (84) en zijn vrouw Grada (80) herinneren zich de dagen na de watersnood nog goed. Het ouderlijk huis van Gerrit was blijven staan en de zolder was droog gebleven.

Gerrit: “Wij hadden veel bijen, die hadden we op zolder op de vlieringbalken gezet. Maar onze kippen zaten ook op die balken. Die hadden de hele tijd in de korven zitten pikken, waardoor de bijen uit hun winterslaap gehaald waren.”
 

In Dreumel bleken 127 huizen verwoest door het water, waaronder het huisje van de ouders van Grada. Ze vertelt: “Alleen een kabinet kast werd teruggevonden in Wamel in een boom. Die mensen vonden een brief met onze naam erop in een la van de kast.”

Ze kregen een houten noodwoning in de Irenestraat, twee onder een kap, en er werd kleding uitgedeeld. “De mensen die de kleding uitdeelden zag je later in mooie manchester-pakken lopen, maar mijn vader kreeg alleen een te grote broek”, lacht Grada.

 

dubbele noodwoning ergens in Dreumel
 

Inzamelingsacties
Later konden ze in een van de nieuwe ‘watersnoodhuisjes’ gaan wonen, waarvan er een hele rij in de Hofhooistraat gebouwd werden. “Er is nog maar één huisje met het oorspronkelijke smalle dak”, zie Grada. “en de dakkapel, de koekoek, was veel kleiner en had een spitse punt.”
 

Aan de Maasdijk richting Alphen wijst Gerrit de plaats aan, waar het Dreumelse gat was. Het enig zichtbare overblijfsel zijn twee kuilen onder aan de dijk, waar men de aarde uit haalde om het gat te dichten. Grada: “Wij hadden al onze dieren verloren en tot opril werd er nog niet op het land gewerkt. Dus mijn vader was blij dat hij wat kon bijverdienen door te helpen bij het dichten van dat gat.”

De meeste zeventigplussers van nu waren in 1926 nog te jong om politieke zaken te volgen. Huub van Heiningen maakt in zijn boek ‘Wee den vergetenen!’ echter melding van een jaren durend politiek getouwtrek rond de watersnood.

Herstellingswerken aan de Maasdijk
 

 

Belangrijk daarin was, dat de regering weigerde de watersnood als een nationale ramp te zien en dus geen geld voor hulp beschikbaar stelde.

Gelukkig werden er overal in Nederland inzamelingsacties gehouden. Dat geld was natuurlijk vooral bedoeld voor de zwaarst getroffenen. Dat waren arbeiders en kleine boertjes. Hun slechte huizen waren een makkelijke prooi voor het water geweest.
 

In een houten krot
Men begon voor hen houten noodwoningen te bouwen. Intussen werden beschadigde huizen gerepareerd en schadeloosstellingen uitbetaald. Maar toen bleek het inzamelingsgeld ineens op.

Achteraf leek het feit dat er voor duizenden guldens aan huizen van rijken verbouwd was, opeens heel onrechtvaardig. Want met zulke bedragen hadden soms wel twee nieuwe huisjes voor de mensen in de houten noodwoningen gebouwd kunnen worden.

Deze mensen moesten nu dus een nieuwe hypothee op het nieuwe huisje nemen, terwijl ze meestal ook de hypotheek van het verwoeste huisje nog moesten afbetalen.

Velen konden dit simpelweg niet opbrengen. Bij het uitblijven van een politieke oplossing werd de bouw van de nieuwe huisjes zelfs een paar maanden stilgelegd.

 

Zelf getimmerde noodwoning aan de Maasdijk, ter hoogte van de stenen dijk (Driedijkenpunt). L-R: Frans van Wezel, Marie van Lent, dochter van Hanneske van Lent. Rechts 4. Hendje van Deursen (woonde Maasdijk nr. 1).
 

In nog grotere problemen zaten vijftig zeer arme gezinnen. Ze hadden vóór de watersnood ook al geen eigen woning of woonden in een houten krot, dat weggespoeld was, Zij werden niet erkend als slachtoffers van de watersnood. Twee jaar lang konden zij nergens aankloppen voor hulp.

Speciaal voor hen werd toen een stichting opgericht, die een nieuwe landelijke inzamelingsactie hield voor vijftig huisjes. Nu had eindelijk iedereen weer een dak boven het hoofd, maar het zou nog veel langer duren voordat de streek economisch hersteld was van de ramp.