Herinneringen van Gerrit van Koolwijk
(Bron: Interview, 1991)


De watersnood van 1926
   

Als 18-jarige jongen beleefde Gerrit van Koolwijk deze verschrikkelijke ramp die het Land van Maas en Waal en Dreumel in het bijzonder trof; hier volgen zijn herinneringen:

"In de nacht van oud- op nieuwjaar brak de dijk door in Nederasselt. In de jaren voor 1926 was het vaak hoog water, vooral als je een natte herfst en winter had gehad. Het water in de Maas kon niet weg: een rivier met zoveel kronkels moest wel problemen opleveren. Vaak zijn allebei de stoommachines 'uit het gemaal geweest'.

Dat noemden wij zo; dan was het water in de Maas hoger dan de hoogte van de boezemwallen. Als de machines dan niet zouden stoppen, zouden ze het water over de wallen heen pompen, hoewel dat voor de Wamelse polder wel goed was

 

  Gerrit van Koolwijk
 

In de vroege morgen van Nieuwjaarsdag werd het bekend gemaakt bij het gemeentehuis. Niemand wist raad, dus afwachten maar. In Wijchen wisten ze het al meteen, maar voordat alle dorpen volgelopen waren duurde dat dagen.

Bij ons huis op de Boezemkade hadden wij aardappelen ingekuild als winterprovisie. Die hebben wij er ook nog uitgehaald en meegenomen naar de Oude Maasdijk, waar Ome Jan Kooi woonde. Samen met Janus Gerlag en Toon Gerlag ben ik in die dagen nog het water tegemoet gefietst tot Appeltern en Altforst.
 

In Dreumel kwam er langzamerhand ook leven in de brouwerij. Alle boten die buitendijks lagen werden over de dijk getrokken.

De Waal was ook erg hoog, zo hoog dat de schepen gewoon aan de dijk konden aanleggen. Wij deden die dagen niks anders als informeren.

Vader was als polderopzichter alle dagen druk bezig. Vooral het stoomgemaal van Dreumel was een probleem; het stond helemaal in het water.

Ik heb ook nog meegeholpen bij het over de dijk trekken van de boten, maar toen mijn naam opgeschreven werd, was ik weer weg.

 

roeiboten worden van buitendijks naar binnendijks
verplaatst.(locatie onbekend)

 

Thuis hadden wij twee mestvarkens die we meenamen naar de Maasdijk bij Ome Jan. Ook de vink in zijn kooitje kreeg daar een ereplaats aan een balk op de zolder. De varkens kregen ook een plaatsje hoog en droog.

Het water bleef echter maar stijgen en daarmee kwam ook de angst: "Waar moet dat heen?" Een hele ploeg volk onder leiding van Has Kooijmans begon met schoppen en kruiwagens de dijk door te graven. Dat was gewoonweg monnikenwerk. De werkers wilden graag koffie en brood. Hele hammen kwamen er op het werk om de moed er in te houden, maar het mocht niet baten: er was geen beginnen aan.Ook in Alphen was men o.l.v. Dijkgraaf de Leeuw de dijk aan het doorsteken.

Het water bleef echter maar stijgen         centimeter na centimeter   mollen, ratten en hazen ....alles kwam op het hoger gelegen gedeelte af. De hazen vonden echter de dood omdat ze gevangen en gebraden werden.

 
Zo wachtten wij met ons gezin af. Berichten kwamen er via de schippers die met hun boten de Maasdijk en de Boezemkade op en neer voeren. De varkens kwamen ook in het water te zitten; daarom werd er een verhoging gemaakt op de muren van de hokken. Dat duurde echter niet lang, Ik moest in de boot naar de Rooi toe om een boot te gaan halen om daarmee de varkens naar Heerewaarden te brengen. Ik vertelde de boer van wie de varkens waren en beloofde dat ik terug zou komen met voer.

(4-5 januari 1926): De genietroepen brachten uitkomst: ze lieten de dijk met dynamiet springen, anders zou het water zo over de dijk zijn gestroomd.
 

In de nacht van 3 op 4 januari 1926 maakten de  genietroepen uit Urecht o.l.v. commandant 1e luitenant J.H. Lohmeijer m.b.v. dynamiet een coupure in de Maasdijk bij de gebroeders Van Lent (Maasdijk 20), zo vertelde gemeentesecretaris J. van Rossum.

Dit gebeurde in het diepste geheim. Het onderschrift bij deze tekening luidde: "EEN NIET-GEFOTOGRAFFEERD MOMENT UIT DEN WATERSNOOD kunnen wij hier in beeld brengen, dankzij de vaardige teekenstift van een ooggetuige.

 

 

 

Het is het maken van een coupure in den Maasbandijk nabij Dreumel, in den nacht van 3 op 4 januari, door een detachement genietroepen onder commando van den eersten luitenant der genie J.H. Lohmeyer.

In genoemden nacht kwam met behulp van springstof een coupure van 60 a 70 M. lengte en 2 1/2 a 3 M. diepte gereed; den middag daarna was deze tot 200 M. uitgebreid en nabij Alphen nog een coupure van 100 M. geslagen. De teekening geeft 't oogenblik weer, waarop een lading, in den kouden natten nacht, haar werk doet."

 

 

Naar de Isabellakazerne in Den Bosch

Door de zeer hoge waterstand kwam uiteindelijk het bevel tot evacuatie. Op een volgepakte passagiersboot voeren wij met onze schamele bezittingen naar Den Bosch waar wij werden afgezet bij de Isabellakazerne aan de Vughterstraat. Vader bleef vanwege zijn functie in Dreumel achter.

In de kazerne werden we heel goed opgevangen. De dames en heren kregen ieder een aparte zaal. Kribben of ledikanten waren er niet, dus lagen we allemaal los in het stro. Na een paar dagen kwamen er plankjes die als looppad gebruikt werden en weer wat later strozakken. Het eten en drinken was er goed: warme chocolade en brood. Het was voor de jonge mensen een leuke belevenis.

In een hoek van de zaal bij de centrale verwarming zat Grad Peters helemaal alleen in het stro te brommen als een oud dier en Theo van de Werdt zat daarbij heel hard te zingen.

We moesten elke dag de borden op tafel zetten. Klaas van Kampen wou mij daarbij de les lezen. "Stik maar "zei ik.

Klaas vertelde het tegen sergeant van Aken. Deze vroeg waarom ik dat niet meer wilde doen. Ik zei: "Jij bent mijn baas en hij niet!"
 

De Isabellakazerne in Den Bosch Dreumelse vluchtelingen in de Isabellakazerne.
 

Zo leefden wij in de zalen van de kazerne. Toen alles een beetje was opgesteld, kwam de melding dat wie weg wilde gaan dat mocht doen, maar eerste moest je onder de douche en ontluisd worden. Broer Jan en Henk konden naar Tiel. Cor ging naar de paters, Moeder en Dora naar het Burgerweeshuis op de Parade en Marie ging naar Café Schraven. Ik bleef bij mijn kornuiten voor nog eens een week of drie.

We kregen een verslaggever van de krant op bezoek en die vroeg maar en wij maar overdrijven. (kippen werden in Dreumel voor een dubbeltje verkocht.)

Ook baden we samen; een man van V&D kwam voorbidden en in een kerkboek lezen. Het bidden heeft hij van ons moeten leren, maar de wil was er. Als je zo braaf zit te bidden, zijn er altijd rakkers bij. Zo gooide een echte pruimer Manus Jonkergouw een pruimtabak precies op z'n kop. Manus moest vanwege het fatsoen zijn mond houden, maar toen we klaar waren met bidden, brak de hel los.

In die tijd werd er ook voor ondergoed gezorgd. Het paste wel niet maar met een spijker aan je broekgulp kwam dat niet zo nauw. Je kreeg dan ook de kans om te douchen; schoon ondergoed kwam dan over het deurtje te hangen: net echte militairen! Ook kreeg je de kans om te biechten. In een zaal werden ledikanten omhoog gezet en achter dat grof netwerk zat dan de priester. Martien van Coolwijk  wilde ook gaan biechten en vroeg aan mij: "Kan de priester je zien?" Ja dat kan hij", antwoordde ik en met een "dan ga ik niet!" vertrok Martien weer.

Elke dag gingen we vanuit de kazerne naar de paardenstallen bij de Sint Jan. We gingen daar mesten en opruimen om wat te doen te hebben Op een dag kwamen we in de Vughterdijkse straat een paardrijder tegen. Het paard was voorzien van een rode geblokte deken. Wat was het geval? Het was Antoon van Kampen, die vanuit Dreumel ons kwam opzoeken. We hebben even gepraat, waarna hij doorreed op zoek naar zijn gezin. De meeste kornuiten zochten bij de paardenstallen contact met bekenden en gingen erheen.
 

Naar een gastgezin in Udenhout

In Den Bosch en omgeving werden gastgezinnen gevraagd waar de vluchtelingen konden worden ondergebracht. Met een man of tien kwamen we toen in Udenhout terecht. Mijn adres was: 't Winkel. Ik dacht dat ik in een winkel terecht kwam, maar dat was niet zo. Ik kwam bij een nogal grote boer terecht, Peer Versteijnen genaamd. Het gezin bestond uit vader, moeder en Willem en Stina.

 

Boerderij fam. Versteijnen, Winkelsestraat 17, Udenhout

Peer Versteijnen

Adriana Versteijnen

 

Mijn vrijheid was daar zeer beperkt. Ik sliep achter de schoorsteen in een lekker warm hokje. De wc was “buiten”. Was je ziek of had je diarree, dan moest je dus naar buiten. Ik werd er prima verzorgd, daar niet van, alleen ik mocht nergens alleen naar toe. Ze waren zeker bang dat ik weg zou lopen of onder zou duiken!

De eerste morgen mocht ik mee naar de kerk. Bidden was zeker een goed werk. De oude Peer stond onderaan de trap en riep: "Gertje, kom mee naar de kerk". Ik blèrde terug: "Ik heb gin schoen". Antwoord: "Dan doe je mijn klompen maar aan!"

Uit de kerk gingen we eerst naar een winkel waar ik zwarte klompen aangemeten kreeg. In huize Versteijnen werd er veel gesproken over de watersnood. Het eten was goed. Moeder de vrouw bakte zelf grote ronde broden van 30 cm middellijn en 10 cm dik. Ook hadden zij in de schoorsteen meters worst hangen en stukken spek, lekker gerookt! Ik bracht de dagen door met mesten en strooien en veel voederbieten schoonmaken en stuksnijden met een molen als voer voor de koeien en het jonge vee.

Ook moest ik kunstmest mengen en zaaien en ploegen met een paard. Je moest altijd twee keer door dezelfde voor. In één keer kon het paard het niet trekken. Zij hadden een hele oude ploeg met één wiel, moeilijk te besturen maar ook dat went wel. Als ik dan vertelde dat we in Dreumel een stelling met twee wielen hadden, bromde Peer kortaf: "Bij jullie is de grond veel zwaarder".

's Avonds na de werkzaamheden deden zij hun werkplunje uit en verschenen dan in "gala".(das om en pet op) Zo werd er dan gekaart en probeerden ze mij met spelletjes voor de gek te houden.

Op een keer kwam mijn vader op bezoek voor een paar uurtjes. Hij zag mij daar zo in de kamer zitten en zei: "pet af, jongen, das af, jongen". Maar ik zei dan: "Dat hoort hier zo, zo leven ze hier, aangekleed staat netjes."

Het avondgebed bidden was daar ook een hele belevenis. Iedereen zat gewoon te zitten op z'n gat. Moeder Versteijnen zat de aardappelen te schillen. Stina zat de kousen te stoppen. Na een paar minuten was het echter geen bidden meer, alleen maar geeuwen en gapen, totdat het vastliep en zij er een punt achter zetten.

In totaal zeven weken heb ik met een spijker aan m'n broek moeten leven. Toen kreeg ik de kans om een goed gedragen bruin pak te bemachtigen.

 

Terug naar Dreumel
Daarna keerde ik weer terug naar Dreumel, waar we sliepen bij Roelof van Dinter en aten bij Piet van Rooij. Daar waren we overdag thuis.

Er stond toen nog zeer veel water in Dreumel. Werk was er volop. Na zeer korte tijd kwamen er houten noodwoningen. Ik werkte vanaf die tijd regelmatig bij de Polder. Broer Cor kwam als loopjongen bij aannemer van Mameren (Deze bouwde watersnoodwoningen RED.) terecht.

Door de hoge waterstand waren veel fruitbomen verloren gegaan. Door de strenge vorst waren veel takken afgebroken. Enkele werden met ijzeren bouten aan elkaar gedraaid, maar dat was bepaald geen succes.

 
Boezemkade, nu Griendweg: veel schade ontstond hier door de boomstammen van de klompenmakers die door de stormwind opgezweept, een spoor van vernielingen achterlieten.Rechts de huizen van G. Bleij en T. van de Werd. Op de achtergrond het Dreumels stoomgemaal.

Cornelis van Koolwijk was polderopzichter bij de Dorpspolder Dreumel

 
Het Dreumels stoomgemaal stond helemaal in het water. Ze hebben toen met behulp van ijzeren damwanden het gebouw ingesloten en droog gepompt. Vader was daar in opdracht van de polder de man. Met elektrische pompen ging dat heel snel.

Alles wat met het water in aanraking was geweest werd vervangen. Met een man of drie van de fabriek hebben we daar veel lol gehad. Toen was het eindelijk zover dat de grote schuif er in gezet werd. Daar aan vast zat weer een schuif om te watertoevoer te regelen. Piet Kooijmans van de Venusweg was een echte schuivendraaier, Langzamerhand kwam de Dreumelse polder toen weer droog te liggen.

Via instellingen en andere hulpacties kreeg de bevolking zijn huisraad zoals stoelen, tafels en kasten. Het watersnoodkastje heeft bij ons thuis nog jarenlang dienst gedaan totdat het door Cor meegenomen werd naar Waalre, waar het achtergebleven is. De vink in het kooitje op de zolder bij Ome Jan had de ramp ook niet overleefd.

Vader had het deurtje wel opengezet, maar ja na zoveel jaren ziet zo'n beest dat niet meer. Toen alle mensen uit Dreumel weg waren was alleen de politie met aangestelde mensen de baas. Vader kon alleen met die mensen de vink bezoeken en daar kwam niet veel van terecht.