|
Herinneringen van Johan
Nijtmans |
|||||
|
De heer J. Th. Nijtmans is in Wamel geboren op 8 juni 1897. Tot aan de afbraak van het Wamelse stoomgemaal (1954) is hij daar machinist gebleven. In 1923 was hij zijn vader, P. J. Nijtmans, als zodanig opgevolgd. Deze was in 1919 machinist geworden als opvolger van Frederik Esser, een Duitser. Vroeger stelde men meestal Duitsers aan als machinist over de stoomgemalen. Zo was het Dreumelse gemaal drie generaties lang in handen van August Schmidt en zijn familie, die van Duitse oorsprong was. Ik was op 31 december aan het werk in het maschien, toen mijn broer aan kwam hollen en naar binnen schreeuwde dat de dijk was doorgebroken. Ik zeg: “Over tien minuten zij ik thuis". We woonden vlak bij het maschien. De mensen uit de buurt kwamen allemaal vragen of ze op het maschien mochten komen. |
|
||||
|
Johan Nijtmans |
|||||
|
We brachten alles zoveel mogelijk naar de zolder. De kolen werden geslecht en er werden stallen gemaakt voor 5 koeien, 6 varkens, 6 geiten en een twintigtal kippen. Hel was net de ark van Noa. Met zijn allen hebben we toen een mijt hooi vlak voor hel maschien op balken gezet (alles was op dat moment nog droog) en met behulp van takels en katrollen een stellage gemaakt, die ervoor zorgde dat het hooi, wanneer het water kwam, wel omhoog kwam, maar niet af kon drijven.Daar komt ‘s avonds Grad van Dreumel, de poldermeester uit Wamel, aan en vraagt "Wè doen we mit ‘t rnaschien?". Ik zeg “Ja, wè doen we mit ‘t rnaschien. Es ge efkes helpt dan kunnen we *t naor boven brengen". "Ja, ge schèrt er de gek wel mee, mar wè doen we der mee?". Ik zeg "Ge kunt er niks mee doen." “Zou dem dan nie af kunnen dammen" zei Van Dreumel. “Ge kunt hem nergens afdammen, ‘t waoter kumt langs alle kanten naor binnen" vertelde ik hem en de poldermeester ging weer op Wamel aan. ‘s Avonds konden we verder niet meer dan afwachten. De volgende dag (Nieuwjaar) had Grad van Dreumel toch een monteur laten komen. Deze was er al vroeg. Ik zeg “Wa komde doen?”. “Ik moest hier naar de rnaschien komen kijken” zei hij. Ik zeg “Kijken is gemèkkelijk genoeg, mar vur de rest kun der niks aon doen. Dè zijn allemoal mar kosten waor ge niks aon hét”. We hebben toen maar een bakske koffie gedronken en ik heb hem weer met mijn fiets naar de poldermeester in Wamel gebracht, want hij was helemaal van Wamel komen lopen. |
|||||
|
|||||
|
Toen ik terugkwam moest ik bij Klaas de Rijk, de klompenmaker, al door het water lopen en hier van W. Jansen tot aan de rnaschien stond ook al water. De vrouw van de machinist van het Dreumelse gemaal (ik was machinist van het Wamelse gemaal) kwam hier en zei “Nou hebben we misschien alles vur niks gedaon". Ik zeg “Es dè nog mar waor is”. Zij: “Volgens Guus kan het waoter zo hoog nie kommen”. Ik weer: “Ik ben aon den dijk gewist en daor stonden ze met pieken en schoppen te graoven. Dè wor niks, dè duurt vul te lang". Later hebben ze toen de Genie laten komen die den dijk hebben doorgeschoten, maar toen was het al te laat. Ik weet nog goed, we moesten de machinekamer ook af. Al die mensen die er lagen. We hadden geen andere keuze dan maar een verdieping hoger naar de zolder. Maar daar lag veel kolenstof. We hebben toen een partij hooi uit dc hooiberg gehaald en zo goed mogelijk over de vloei gestrooid. Toen zijn we maar in het hooi gaan liggen. Koud. koud dat het was. verschrikkelijk. Mijn vrouw (toentertijd waren wc nog niet getrouwd) woonde nog op de hoek hier op een boerderij. Maar het water was veel te hoog geworden. Die hebben daar ‘s nachts om hulp liggen roepen door het zolderraam en het ging te keer en hel stormde. De politie heeft ze toen met een ventersbootje afgehaald, maar de koeien en de paarden bleven staan. |
|||||
|
De volgende morgen heb ik moeder en mijn broer Antoon, de onderwijzer, met de boot naar Den Bosch gebracht. Ik kwam bij dat huis waar zij (mijn vrouw) uit gehaald was en daar stond de politie te schreeuwen “Kom es hier, kom es hier”. Ik moest met nog een boot en iemand die met ons meevoer twee koeien en een paard meenemen naar de dijk. Antoon hield de kop van de ene koe mee omhoog, want die wou zich verzuipen. Met veel moeite zijn we er toen toch nog heelhuids mee aan de dijk gekomen. Toen we daar waren zei ik tegen mijn moeder en mijn broer “Zien jullie mar zo gauw mogelijk in Den Bosch te kommen”. Ze zijn toen met zo’n buske of een vrachtwagen naar Den Bosch gebracht. Ze waren weg, maar we wisten niet waar ze precies onderdak gevonden hadden. Een paar dagen later kon mijn vader het niet meer uithouden. Hij zat vaak te ‘schrauwen’. Mijn broer Thé was nog maar 21 en die voer maar de hele dag rond met zo'n koeienschuitje om maar vee op te halen. Ik denk “Die verdrinkt nog eens” en ik zeg tegen mijn vader "Es gij nou es mit Thé nar moeders ging in Den Bosch?” “En gij dan?” zei hij. Ik zeg “Ik blijf hier”. Ik heb toen twee ventersbootjes gehaald en toen zijn al die mensen, die ik hier niet meer hebben kon, weggebracht. Wij bleven over met zijn vieren. Linnard v.d. Boom en de vrouw van Piet van Doornik, Van Oorsouw en ik. We huisden op de zolder. Op de ketel hadden we een kacheltje gezet. Die vrouw kookte elke dag kippensoep, want die waren er genoeg. Eén van de eerste nachten waaide en stormde het zo verschrikkelijk dat we bijna geen oog dicht konden doen. Toen het de volgende morgen eindelijk licht werd zagen we al die huizen, waar we de vorige dag nog geweest waren, hier langs drijven. Alles spoelde hier langs in de richting van de dijk. waartegen halve daken kapot sloegen. Langs de hele Boezemkade stonden wel 15 huizen. Alles was weggespoeld. Alles was met de grond gelijkgemaakt. Het stormde zo erg dat we van de marechaussee aanzegging kregen het maschien te verlaten. Ik zeg “We zitten hier goed en waar moeten we met al dat vee naar toe?" Zij zeiden “Vertel dat maar aan de burgemeester’'. |
|||||
|
Ik de volgende dag naar de burgemeester. “Hier is Nijtmans’’ zeg ik. Hij stond op het balkon van het gemeentehuis de lakens uit te delen. Hij schreeuwde (het stormde nog steeds vreselijk) “Jullie motten der af, jullie motten der af". Ik antwoordde “We kunnen er niet af, we zitten toch goed?" “Dan op eigen verantwoording". Ik zeg “Ja, dè zitten we toch?" We konden dus weer blijven zitten, maar de burgemeester was natuurlijk bang dat we zouden stropen. Hier in Dreumel waren een stuk of tien marechaussees om ervoor te zorgen dat er in de hoger gelegen gebieden niet gestolen zou worden. Na 11 en 12 januari ging het heel streng vriezen. Ondertussen was ik te weten gekomen waar mijn moeder en mijn toekomstige vrouw in Den Bosch ondergebracht waren. Ik liet me met de fiets in een boot naar de dijk brengen en vandaar over Heerewaarden en de stenen dijk naar Den Bosch gefietst. Ik kwam bij de kazerne aan maar ik mocht er niet in. De sergeant van de wacht wilde me er niet in laten. Het was al tamelijk laat. Toen ben ik maar terug gefietst met de gedachte het ‘s morgens vroeg maar te proberen. Toen kwam ik daar een meiske tegen, de vrouw van Hannes van Hoften. Zij liep daar met een paraplu. “Johan, gij hier?", zei zij. Ik zei “Ja, ik wou naor de kazerne. Daar is Anna. mar ik mocht er niet in". “Dan weet ik ‘t goed gemakt“, zei ze. “dan nimde mijn parapluui, gao terug en ge vraogt naor adjudant Heuvink. Es ge daornao vraogt. meugdcr altèd in." Ik ga terug en ik zeg tegen die sergeant “Ik zou graag adjudant Heuvink spréken”. “Gaat u even mee, dan zal ik u bij hem brengen". Toen ik eenmaal binnen was zei ik “Nou kunde wel gaon, ik vijn de wèg zelf wel" en hij was weg. Ik kwam in de zaal waar ze allemaal waren en dat zal ik nooit meer vergeten. Mijn meiske had ene grote soeplepel in de hand en die stond daar soep uit te delen. “Daor is Johan,” zeiden ze en ze kwam dadelijk naar me toe. Maar ze kreeg haast geen kans om iets te zeggen, want de een vroeg “Witte nie waor onze Hendrik is?" en een ander “Hoe hoog steej ‘t waoter nou?". Dat was een hele consternatie en het duurde wel een half uur voor we eens rustig met elkaar konden praten. Ik mocht ook nog een bordje erwtensoep mee eten. |
|||||
|
|
|||||
|
Citadelkazerne Den Bosch |
|||||
|
Ik wist niet waar ik die avond blijven moest en toen heb ik maar aangeklopt bij de Citadelkazerne. Toevallig zwaaide de zuster van een vertegenwoordiger, die ik goed kende, daar de scepter. Ik maakte mij bekend en ik mocht er in. “Je zult wel honger hebben," zeiden ze. Al gauw zat ik achter ene stapel wittebrood en een groot glas melk. Ik kon net zoveel krijgen als ik maar wilde. “Zoek mar een plats op, ik zou zeggen gao daor mar liggen". Ik ging daar liggen en even daarna wordt die mens, die naast mij lag, wakker en zei “Zijde gij de, Nijtmans?” Ik zeg “Ja. dè zij ik en gij zij zeker Piet Vink?" “Ja, hoe is ‘t in Dreumel? Zulle we nog nie gauw terugkunne?" Ik zeg “Ik denk dè jullie wèr gauw terug kunne, want ze hebben den dijk al dur laote schiete. Nou zal al ‘t waoter wèl gauw weg zijn". Maar ik was ondertussen zo moe geworden van al dal gefiets en daarna al dat heen en weer geloop in Den Bosch, dat ik zo sliep als een os. De volgende morgen zegt mijn broer Antoon legen me “Gifde gij jouwe overjas aon mijn, dan krijgde gij mijne règenjas, want gij gao toch naor huis. We hebben het koud en dan zit ik hier mit die règenjas te kijken”. Ik zeg “Da’s goed". Ik gaf hem mijne warme dikke overjas en ik met die dunne regenjas naar huis. Het werd koud, zo koud en ik maar tegen die Noordoosten wind intrappen. De slippen van die jas kon ik maar niet over mijn knieën houden en die schrale, dunne, venijnige koude wind maakte mijn benen en bovenbenen bijna gevoelloos. |
|||||
|
Ik kom aan de gene kant van Heerewaarden daar op die dijk met allemaal hard bevroren voren en sporen. Ik kon niet meer fietsen. Ik moest de fiets leiden en ik kon hem niet meer leiden. Ik heb de fiets langs de kant van de weg gelegd. Een eindje verderop lag een vuur te branden en in de rook van dat vuur heb ik mijn eigen een beetje staan warmen. Toen ik weer van de ergste kou bekomen was zocht ik de fiets maar weer op en over die keiharde sporen verder gelopen richting Dreumel. Daar kom ik een kerel tegen en die zei “Nijtmans, hêdde ginne riksdaolder veur me?. Ik heb ginne cent mir op zak.” Het was een echte zuiperd en ik zeg “Dan hadde ze motte bewaoren". En hij ging er weer vandoor. Eindelijk kwam ik dan door en door koud bij Gerrit van Wichen (Café ’t Veerhuis” Red.). Ik zette de fiets in het portaal en ging het lekker warme café in. Daar ziet de vrouw van Gerrit van Wichen dat ik zo wit ben als een lijk en ze zegt tegen me “Komde gij es mee naor achteren ”. Ik ging mee en zij zei weer “En daor gaon zitten en niet te dicht bij de kachel". Mijn benen begonnen me te kietelen van de kou. Die waren van het tegen de wind in fietsen halfbevroren. In die keuken knapte ik weer helemaal op en ik zei “Zou ik hier nie kunnen slaope vannacht?”. Vanwege de pas ingevallen strenge vorst was het maschien met de boot niet te bereiken. “Nou we zitten hier zo vol in het café. Ik zou nie wete waor we oe neer motte legge. Mar witte we ge doet, gao naor den Bueter en probeer ‘t daor es. Geet ‘t daor ook nie, dan kunde altèd nog hier terecht**.
|
|||||
|
|
|||||
|
Den Hoek: splitsing
Rooijsestraat-Oude Maasdijk. |
|||||
|
Ik naar den Bueter, ook een café. Daar naar binnen, een borreltje gevat en gevraagd of ik daar kon slapen. De vrouw zei: “Ja, of ge slaopen kunt, dé weet ik nie. ‘t Zal wel koud zijn. Ge kunt boven lig- gen.” “Des goed, es ik mar ergens liggen kan”, zei ik. ‘s Nachts heb ik daar gelegen, naast Has Kooy, die vroeger dijkschout was, en een jongen van den Bueter, Gerrit. Om een uur of vijf word ik wakker en ik denk “Wat nou?". Mijn haren nat, het kussen en de dekens nat en ik kon bijna niet praten, zo hees was ik geworden. De sneeuw waaide overal onder de pannen door en de hele planken zolder lag onder de fijne sneeuw. Ik wilde Gerrit den Bueter wakker maken, maar die had helemaal niet kunnen slapen en lag al lang wakker. Has Kooy zei: “Laoten we mar opstaon en naor ‘t café gaon en daor de kachel mar aonstèke, dan hebbe we tenminste een bietje wermte". Zo zaten we die morgen al weer vroeg in het café. Die morgen ben ik een eindje den dijk uitgelopen. Er was een eind bij waar de golven nog overheen sloegen en hij was net zo glad als een spiegel. Ik trof daar een oliehandelaar en die moest bij Van den Boom zijn. Samen zijn we toen op de knieën naar Van den Boom gekropen, die gelijks den dijk zat. Daar heb ik een tijdje gepraat en omdat ik wel zag dat er de eerste dagen geen kans was om met een boot of lopend op het maschien te komen, heb ik mijn fiets maar weer bij Van Wichen opgehaald en ben ik naar Den Bosch teruggefietst. Een dag of vier ben ik toen weer in Den Bosch geweest tot ik hoorde dat de Boezemkade weer beloopbaar was. Ik natuurlijk dadelijk weer terug naar Dreumel met het spoor. Ik kom op het perron en daar hoorde ik roepen “Kom hier zitten stokerke“. Ik schuif de deur open en daar zit Linnard Sas en daarnaast Piet Lagarde. Ze hadden verteld dat ze allebei gek geworden waren. Ik zeg “Gullie hier? Hebbe ze jullie wér losgelaote?" Sas zei: “O, hèddet ok gehurd?” Ik weer: “Ja, ze zeide dat jullie vast zate." “Nee, zo wijd hebbe we het nie gebraocht." We kwamen in Zaltbommel op het perron. We stapten uit en ik liep daar al vroeg, om acht uur, met mijn meisje te wandelen. Toevalligerwijze liep daar ook de kapelaan (Spolders – Red.) en die zei “Wat lopen jullie daar al vroeg te wandelen?” Ik zeg: “Anders krijge we den dag nie vol” en de kapelaan zei niets meer. Mijn meisje ging terug naar Den Bosch en ik lopend naar Dreumel. Het water begon toen langzaam weg te trekken en we kregen op een zekere dag bezoek van de deken van Den Bosch, de pastoor, nog een paar geestelijken en den burger Van Erp. Ze waren de hele Maasdijk over komen kronkelen, waarbij ze nog grote stukken over planken moesten lopen, en ze kwanten ons maschien eens bekijken. We waren nog niet aan het malen. |
|||||
|
|
|||||
|
Johan Nijtmans bij de stoommachine van het Wamels gemaal |
|||||
|
Ze zeiden: “Nou zijn we hier, maar hoe komen we weer terug?” Ik zeg “Hoe bende hier gekommen?” “Over de Maasdijk, maar dat zouden we nu geen van allen meer kunnen." “Kunde gij ons nie mit den boot terugbrengen?” zei den burger. Ik zeg: “Ja, dat docht ik wel” en toen heb ik ze weer met de boot teruggebracht, hier de wetering uit. Voor ik nu met mijn verhaal verder ga moet ik eerst vertellen dat ik op de avond, voordat het water kwam, naar de machinekamer geweest ben en alle blanke delen met een emmer dikke olie ingesmeerd heb. Toen het water zover gezakt was dat ik met de laarzen aan weer in de machinekamer kon komen heb ik een bus peterolie gehaald en de hele machine weer afgewreven. Alle lagers stonden nog wel vol water, maar er was niets verroest. Op zekere dag komen daar Ir. Lely, de dijkgraaf en poldermeester Van Dreumel. “Kunde wèr aon het maolen?" vroegen ze. “Ja”, zegt de inspecteur, “het is hoog nodig, vooral in verband met ziektes.” Toen is er een monteur gekomen en hebben we de leidingen, die nog onder water stonden, naar boven gebracht. We maakten stellingen omdat we nog niet normaal op de vloer konden staan en we gingen aan het stoken. Maar we konden het vuur niet aankrijgen. Wat we ook deden of niet, het wou niet lukken. We hebben toen een partij bossen stro gehaald en die in de schoorsteen gegooid en in brand gestoken. Ik was buiten en zag de eerste rook door de schoorsteen komen. Mijn vader kwam naar buiten en schreeuwde "Hij doet het, hij doet het.” De schoorsteen trok zo geweldig dat de ketel stond te rillen. Ik zeg "Dicht die ketel” en het ging in een keer goed. We hebben toen vijf weken en een dag zonder ophouden achter elkaar gedraaid. Elke dag smeten we er veertig mud kolen tegenaan. De ingenieur beloofde “Als gij zo door blijft draaien, krijg je een gratificatie”. Hij kwam nog verschillende keren kijken, maar van een gratificatie hoorde ik niets. Toen kwam later Van Dreumel weer en die zei “Ge zult wel zeggen ‘Ik hoor niets meer van die gratificatie". Ik zei “Ja, dat is me toch beloofd.” "Witte wè we gedaon hebbe, we hebbe u vijf gulde in de wèek meer gegeven, is dè goed?” Ik zei: “Ja, des nog béter”. Tot zover het verslag van de heer Nijtmans uit Dreumel. |
|||||
|
|
|||||
|
|
|||||