Herinneringen van Piet de Wild
(Bron: De Gelderlander, 23 december 1993)


‘Ik ben zo bang als Maas en Waal hoog zijn'

Piet de Wild (93) uit Dreumel maakte watersnood van 1926 mee

 

 

DREUMEL – Hij is nu even oud als de eeuw, Piet de Wild uit Dreumel. Maar vergeten is hij niets, en zeker in dit soort dagen komen de herinneringen terug alsof de gebeurtenissen zich gisteren afspeelden.

De Maas staat hoog, in Limburg zijn gisteren tientallen mensen geëvacueerd uit hun met water gevulde huizen en het land van Maas en Waal maakt zich op voor het hoogste waterpeil sinds die ene grote ramp, de watersnood van 1926. Piet de Wild slaapt er niet best meer van. “Ik ben zo bang als de Maas en de Waal hoog zijn.

In de loop van zaterdag moet het hoge water het bedijkte deel van de Maas bereiken, zo luiden de laatste berichten. De mensen van het polderdistrict zijn alert: in geval van nood liggen de zandzakken klaar. Maar zo’n vaart zal het wel niet lopen, denken ze bij de ‘polder’.

Piet de Wild

 

Toch vertrouwt Piet de Wild het niet. Zeker omdat hij inmiddels zijn stek heeft aan de Venusweg en dus in het diepste deel van het land van Maas en Waal verblijft. En daarvan is hij zich maar al te zeer bewust: “In 1926 stond het water hier, op deze plaats, drie of vier meter hoog. D’r woonde hier toen nog niemand, dat is pas na de ruilverkaveling gekomen. Maar nou zit het hier vol met koeien.”
 

  Rooijsestraat: L-R: de huizen van Frans van Wichen, van Rossum en Cornelis Rutten. Rechts achter de boot van W. Wegman staan Rutten en zijn vrouw L. van Rossum te wachten. In de linker boot zien we G. van Beers, Manus de Rijk en J. Kusters. In de andere boot is J. Salet te zien. M.b.v. ventersboten wordt het vee van Frans van Wichen naar de Waaldijk gebracht.  
 

Rot
De Dreumelnaar heeft zo zijn eigen ideeën over veiligheid. “Ze moeten die dijken niet verhogen maar verzwaren. Een dijk rot van ónderen. Door mollen en muskusratten. Als er een gat in de dijk komt, is er geen redden meer aan. Dan is het zo 50 meter breed.”

Hoofdschuddend tikt hij op de opgevouwen De Gelderlander op tafel. “En dan lees je dat zo’n gemeente West Maas en Waal niks doet. Snap je dat nou? Maar het zijn allemaal van die jonkies, die weten van niks.”

En toch: het polderdistrict houdt ook de kwelplaatsen scherp in de gaten. “Ja, met de handen in de tès, zeker”, zegt Piet. “Ze moeten wat dóen.”

 

Spotten
Dat deze ze in Dreumel wel, tientallen jaren geleden. Toen ze hoorden dat de dijk in Overasselt was doorgebroken, hadden ze nog anderhalve dag om het vege lijf te redden. En gewerkt werd er, met man en macht. Want met het water valt niet te spotten.

“Ook de laatste dag van 1925 begint met regenvlagen en de zuidwesterstorm, die het lage land nu al bijna een week teisteren. De Maas staat kantje boord aan de dijken en over de bij Overasselt kilometers brede ondergelopen uiterwaarden jaagt de wind de golven hoog op. Schuimkoppen en hele plonsen water rollen over het door de regen week geworden dijklichaam heen. Maar niemand schijnt zich daarvan iets aan te trekken of gevaar te vermoeden…”

Zo begint Huub van Heiningen zijn boek ‘Wee den vergetenen!’ over de watersnoodramp van 1926 en de wederopbouw van het land van Maas en Waal. Toen het dan tóch gebeurde en de dijk het begaf, kon je zo’n dertig kilometer verderop, in wat nu nóg de ‘zak van Maas en Waal” heet, op je vingers natellen dat het water eraan zou komen.

 

Stro
Piet de Wild: “Ik woonde toen met mijn familie aan de Waaldijk. We hebben hooi en stro op de dijk gereden en de kalveren en de varkens erop gezet. In hokken. Mooi dat dat stro trouwens door beesten van een ander werd opgevreten, om het maar ‘ns op z’n boers te zeggen. Dat het ook hun stro was, zeiden ze dan. Dat waren dus geen boeren.”

 
Het verdronken land van Dreumel Het verdronken land van Dreumel
 

Het manvolk, herinnert de 93-jarige zich, mocht het dorp niet uit, maar sommige vrouwen werden naar Den Bosch gebracht. Het gezin de Wild moest het eigen huis verlaten: dat lag immers honderd meter van de dijk vandaan en zou dus door het water bereikt worden.

De familie trok in bij de buren, wier woning tegen de dijk aan lag. De kelders liepen weliswaar vol, maar in de kamers erboven had niemand iets te vrezen.

“We hadden een zeug die op het punt van biggen stond, die is toen door een boer uit Rossum opgehaald. Daar heeft ze gebigd. De opbrengst hebben we gedeeld. Later is die zeug van Rossum af naar huis komen lopen, met die boer op z’n fiets d’r achteraan. En dan zeggen ze nog dat varkens stom zijn”, verhaalt Piet de Wild.

Tweede keer
Bang zegt hij in die lang vervlogen dagen niet geweest te zijn. “We wisten niet wat het was, watersnood. En toen het eenmaal zover was, was je niet bang meer omdat het water er toch al was. Je probeerde alleen maar zoveel mogelijk op het droge te blijven.

Maar nou ben ik bang voor een tweede keer. Ik heb veel zorg. Dat ik naar bed ga en dan de volgende morgen niet meer wakker word.”