|
Verslagen |
||||||||||||||||
|
||||||||||||||||
|
||||||||||||||||
|
Wel ook naar de dijk, in het hoogst gelegen huis, bij eenvoudige mensen mocht hij in de goede kamer op de tafel staan, met Mijnheer Pastoor als wachter erbij. Maar toen men ook al het vee naar de dijk bracht en de kleine biggetjes niet wist te laten, bleef er niets anders over, dan deze beestjes in de kamer onder te brengen bij O.L. Heer. Zodoende logeerde O. L . Heer op de tafel en de kleine biggetjes eronder. Al het gerie werd verhuisd naar boven, naar Moeders kamer, Daar stond nog een klein kacheltje, daarop werd gekookt en gebraden. Waren soep of aardappels gaar dan maar gauw in Zuster Isidora's bed, (dat was het kortst erbij) onder het plumeau, dat diende voor hooikist. Kisten, kasten en stoelen, kortweg alles wat roerbaar was, kwam zo hoog mogelijk naar boven. Maar wat is dat? Moeder roept! Het zuurkoolvat was nog in de kelder! Nou, dat was me een vracht! Met veel stoten en beuren hadden we het eindelijk de keldertrap op tot in de keuken, maar met geen macht konden we het verder brengen. Moeder commandeerde: "Dan maar voor de kelderdeur!" Dan komt het water niet zo gauw in de keuken. Ondertussen kwam al geroep van buiten: "Het water staat op de grote weg (Rooijsestraat JVK) voor het klooster”. Het was ’s middags tegen vijf uur en al tamelijk donker. |
||||||||||||||||
|
||||||||||||||||
|
Zr. Charitas en ik maakten gauw een stallantaarn aan en dan haar buiten, zien of het hoog of laag, langzaam of vlug aankwam. Met golfslag kwam het altijd korter op ons aan de voortuin in; wij vlug naar binnen; deuren en ramen vlug op slot gedaan en naar boven verhuisd. Daar zaten we nu boven: Zr. Raymunda had de zorg gekregen voor de kokerij in het gasthuis op de zolder want van het klooster naar het gasthuis had het water de verbinding afgesloten. Doch voor Zr. Raymunda en de vele mensen was dat te veel. Toen riep Zr. Justiniana door het raam: "Geef ons ook Zr. Theodora." Dat was goed. Maar hoe moest dat kleine Zusterke erover komen? Zuster Justiniana bedacht zich niet lang: "Wacht Moeder, ik haal ze, ik ben groot”. En de schoenen en kousen uit, het habijt en de rokken tot boven de knieën, stapte ze parmantig erdoor, tot aan de knieën in het water en droeg Zr. Theodora hoog en droog als een popje naar de overkant. Diezelfde morgen kwam Mijnheer kapelaan nog eens de H. Communie brengen en zei: "Ik ga ook in het gasthuis". Zr. Charitas niet denkende, dat het water al zó hoog stond in de overdekte plaats, liep er midden in en met een gil: "Hoei! daar is het al!" kwam ze terug. Toen werd een andere weg gezocht om de H. Communie over te brengen. Op het schuurdak legde men een ladder, die tegen het cellenraam aankwam, dan over het dak van de overdekte plaats, kwam men met een tweede ladder aan het gangvenster van het gasthuis. Daarna zei Mijnheer Kapelaan: "Ik moet O.L. Heer meenemen." en zo vertrok hij in een bootje met twee schippers, O.L. Heer, Mijnheer Kapelaan staande met O.L. Heer in de handen, voeren ook de dijk op. Alle Zusters stonden boven aan de ramen en keken hen treurig na. |
||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||
|
||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||
|
Rooijsestraat: Links Klooster St Barbara (nu Zorgcentrum Sint Barbara), rechts het gasthuis. |
||||||||||||||||
|
En wat deed het water ondertussen? Het klom hoger en hoger. Buiten, de kleine boerenhuisjes waren helemaal onder water. Hier en daar keek een schoorsteen of de toppen van hoge bomen er boven uit. In het klooster stond de onderste verdieping op één meter na, geheel onder water. Dikke boomstammen, door het watergeweld uit de grond gerukt, dreven als stukjes papier onheilspellend door het water heen; velen kwamen op ons klooster af en Hendrik van Wijk, een van onze oude mannen, en een trouwe helper in die tijd, had druk werk om die reuzen van ons huis af te houden, om eventuele rampen te voorkomen, want vele huizen zijn totaal vernield geworden door de gaten die deze drijvende bomen met geweld in de muren sloegen. Vis was er volop, daarvoor
zorgde het jong volk wel, dat voor de redding Dreumel niet uit mocht. Wel
was er gebrek aan water. Ja echt! We zaten midden in het water, maar dat
mocht niet gebruikt worden. Noch voor het koken, noch voor het wassen
(verbod uit Den Haag) |
||||||||||||||||
|
Zo gingen de dagen in onrust voorbij, tot op 5 Januari 1926. 's Namiddags hadden we het erover, dat de H. Driekoningen moesten worden afgehaald, maar de andere morgen kwam een spoedboodschap: Zusters, het klooster moet ook ontruimd! Er is een zware storm op handen; bovendien staat de Waal ook tot aan de rand van de dijk en als die er over gaat, wat elk uur kan gebeuren, dan zijn jullie verloren”. Nieuwe angst. Waarheen met de zieken? Drie ervan waren stervend en bovendien een zwaar zieke vrouw, die de dokter (dokter v.d. Kleij) niet kon verlaten. Doch onze, pioniers, door Hare Majesteit uit Den Haag over gestuurd, kwamen met een rij bootjes aan, zetten een ladder op het platte dak bij het raam, zetten de ene oude na de andere op een stevige stoel met leuning, dan ging het tussen de ladders door naar beneden, nadat menigeen "Hulp, ik val, ik verdrink!" had geroepen. Maar gelukkig kwamen allen in de boten en dan naar de Waaldijk toe. Hier lag een grote boot gereed, die ons allen opnam en zo vertrokken we naar Tiel. Laat me niet vergeten, dat de Pioniers in een ommezien verschillende van de Zusters ook al op hun arm in de bootjes droegen. |
||||||||||||||||
|
Tiel |
||||||||||||||||
|
Zo kwamen we tegen de avond (6 januari 1926) aan in Tiel, omgeven door een grote volksmenigte, die nieuwsgierig keek en medelijden betoonde met de arme zieken en ons bedropen Zusters. Gelukkig stond er 'n rijtuig klaar om ons te vervoeren. De zieken kwamen in auto’s. Maar waarheen reed men ons? Dat moesten we maar afwachten en ons intussen helemaal aan de Goddelijke Voorzienigheid overgeven. Na een poosje stopte de karavaan vóór het St. Andreasziekenhuis te Tiel. De burgemeester, een echt bezorgde Vader, gaf het bevel: de zieken in het ziekenhuis. Dat ging goed. De ouden van dagen zouden in de Zustersschool worden ondergebracht, maar dat gaf opstand. "Neen, neen”, verdedigde zich de Overste, "de lokalen zijn geschrobd en morgen moet de school beginnen”. Maar al dat sputteren baatte niets. De burgemeester kwam met zijn werkvolk, de scholen werden ontruimd, de grote winkelhuizen zoals: Vroom en Dreesman, Haweko, enz. moesten beddengoed en alles wat voor het noodzakelijk onderhoud nodig was afgeven en zo waren onze Oudjes, bijna 60 in getal, moe en half ziek eindelijk onder dak; de Zusters werden in 4 groepen verdeeld, om voor hen te zorgen. Nu stonden wij overige Zusters nog op straat. Waarheen met ons? Weer zei de Burgemeester, dat de Zusters ons best in hun klooster konden onderbrengen. Maar ja; nieuwe opstand: er was geen plaats, we moesten maar elders zien. Onder het volk, dat rondom ons. stond, werd de ontevredenheid hierover hoorbaar. Toen trad een bejaarde dame uit de kring van omstanders naar voren en zei: "Zusters, wanneer onze Zusters U geen onderdak geven, dan bied ik U mijn woning aan, als U wilt”. Nou, Moeder Sophia ging er blij op in en zo huppelden we twee aan twee achter elkaar, zo vuil en verkreukt als we waren, achter de dame aan, blij uit het gezicht van het volk te komen. Jullie moeten weten, dat we acht dagen niet meer uit de kleren waren geweest en ook geen tijd hadden, om ons te wassen. Daarom kunt U zich wel voorstellen, hoe onze sluiers, guimpen (soort hals bedekking) enz. er uit zagen. |
||||||||||||||||
|
In ’t huis van die Mevrouw kreeg het meisje het nog eens druk, water opzetten, om ons de handen te wassen, van hot naar haar in de winkels lopen om brood, eieren vlees enz. bij elkaar te halen. Want we waren met ons 9-10 Zusters. Ondertussen zorgde Mevrouw voor de tafel op de veranda en liep naar de buren, om te horen, wie van hen nog een of twee Zusters kon overnemen om ons zodoende ook een goed nachtkwartier te bezorgen. Er kwam ook een Heer met zijn echtgenote en zei: "Zusters, ik neem gaarne vannacht twee Uwer hij ons, maar U mag gerust weten, ik ben socialist, als u daarvoor niet terugschrikt. Ik heb me zeer geërgerd, dat katholieke Zusters zo met u omgingen. Mijn huis staat voor U open, als u wilt.” Moeder Sophia werd wel een beetje verlegen, maar zei toch, dat Mijnheer er op rekenen kon, dat er twee Zusters bij hem zouden komen. Toen vroeg Moeder aan ons, wie er heen wilde. Zr. Raymunda en Zr. Tharsilla gaven er niets om en gingen. Maar beiden kwamen 's anderendaags niet uitgepraat over de bezorgdheid, liefde en offervaardigheid van "Mijnheer den Socialist". Zelfs de badkamer had hij hen dadelijk ter beschikking gesteld. Zuster Charitas en ik verhuisden naar een café en werden heel goed opgepast. Wel hadden die goede mensen maar één logeerkamer vrij met een tweepersoonsbed en zo gingen er dan twee Zusters van St. Franciscus erin ter ruste en sliepen tot de morgen in de zachte veren. Tegen 7 uur kwam Mevrouw ons zelf halen en bracht ons naar de Paterskerk om er met ons de H. Mis bij te wonen. Na de H. Mis, onder het ontbijt bij Mevrouw, kwam Pater Prior van de Dominicanen te Tiel Moeder Sophia en ons excuus vragen voor het onaangename wat ons gisteren bij de Dominicanessen overkomen was en zei: “Op staande voet gaan jullie met mij mee en U komt bij onze Zusters; dat zullen we dan toch eens zien.” |
||||||||||||||||
|
Het speet ons erg en met tegenzin vertrokken we onder zijn geleide. Wel keek de Priorin op, maar Pater Prior kreeg zijn zin en men stelde ons de ziekenkamer en de gastenkamer ter beschikking. Dat was alles. De soldaten van Tiel kwamen iedere dag met hun keuken, - een grote ketel, door twee paarden getrokken - en brachten aan allen, vluchtelingen, ouden van dagen en ook aan ons Zusters het eten. Maar daarvan konden we niet bestaan, en Zr. Justitiana trok op de bedel uit. En werkelijk, op de markt en in de winkels waren de mensen echt goed en gaven volop. Ondertussen wist men in Valkenburg van ons lot en al gauw ging de telefoon. Alle Zusters, die bij de zieken konden worden gemist, moesten naar Valkenburg komen. En zo vertrokken Moeder Sophia, Zr Ludovica, Zr.Theodora en ik naar het Moederhuis. We werden dadelijk in bed gestopt, met z’n vieren op een kamer. Moeder deed niets dan huilen van de zenuwen. |
||||||||||||||||
|
Toen men ons hier drie dagen goed van binnen en buiten had verzorgd gingen we terug naar Tiel om de anderen te helpen. Intussen had Zr. Justiniana zich op 11 Januari ook al aan Schoonhoven (een dependance van deze orde net als Dreumel) gewend en bij Moeder Stanislaus om schone was en guimpen gevraagd. En hoe ze daar in Schoonhoven gewassen en geploeterd hebben, zelfs op de H. Zondag, dat weet onze tegenwoordige Waarde Moeder het beste te vertellen. Ook was in de tussentijd Prins Hendrik in Tiel geweest en ook bij ieder oudje. In Tiel gearriveerd, kregen wij vier ieder een vaste plaats. Moeder Sophia, Zr. Ludovica en Zr. Theodora bleven bij de Zusters. Zr. Tharsilla en ik wisselden elkaar af in de ambachtsschool, die vol lag met vluchtelingen en in het lokaal, dat voor de kinderen bestemd was, die met de mazelen ziek lagen. |
||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||
|
Watersnood 1926: Zuster isidora te midden van de mazelen patiëntjes uit Wamel en Dreumel. |
||||||||||||||||
|
Deze laatsten waren voor Zr. Tharsilla en mij, terwijl Zr. Maria, Dominicanes en Groene Kruiszuster - in opdracht van den Burgemeester voor de vluchtelingen had te zorgen. Deze Zuster heeft goed haar best gedaan en toch zag ze op zekere morgen, dat het stro van de mensen krioelde van de wantsen. Vlug werd de Burgemeester opgebeld. Deze haalde weer zijn werkvolk bijeen. Deuren en ramen werden gesloten, opdat niemand en niets uit of in kan. Nu ging men aan het zoeken, waar die beestjes vandaan kwamen. Twee meisjes uit Wamel hadden een kapdoos met toebehoren. Daar zaten ze met hopen in. Het raadsel was opgelost. Nu moest nog alles gezuiverd worden en bovendien was het Zondag. Alle mensen moesten nu in een lokaal aan de achterkant bijeenkomen; vandaar werden ze na een uurtje onder politiegeleide overgebracht naar de barakken. Hier werden hun zonder barmhartigheid de kleren van het lichaam gesneden en ze zelf in de badkuip gestopt. De winkeliers moesten nieuw goed leveren. Nu werden Zr. Maria en ik ook bij den Burgemeester geroepen en hij zei: "Ja, Zusters, nu moeten jullie ook van kleren verwisselen daar kunnen ook van die beestjes inzitten." Wij keken elkaar eens aan, want we hadden niets bij ons om te wisselen. Maar meteen kwamen twee werklui met blauwe overal, die aan de armen en benen goed dichtgebonden was en om het hoofd een vaste doek, een waskuip tussen zich in dragend op ons af. "Hier Zusters, hier zijn twee witte broeken (stelt U voor twee lange schilders broeken) voor ieder een, aan doen straks en dan de pijpen beneden goed dichtbinden. Daarover trekt U uw witte schort en dan ziet er niemand wat van.” Wij twee kregen haast een appelflauwte. Ik verzette me tegen dit bevel, toen werd me opgedragen naar de Mazelpatiënten te gaan en geen stap uit dit lokaal te komen, maar van boven en onderen en aan de mouwen werd de schort met spelden dicht gestoken. Met Zr. Maria liep het niet zo goed af; zij moest de broek aandoen. Al haar boven- en ondergoed moest ze achter een scherm uitdoen en de broek aantrekken. Maar toen heb ik gelachen! Het was ook zo'n koddig gezicht! Van boven een Zuster en van onder een man. Onder de witte schort stonden de broekspijpen wijd uit, kostelijk! Door de glazen tussendeur kon ik alles zien, wat er gebeurde. |
||||||||||||||||
|
||||||||||||||||
|
Om het huis was een brede gracht, die door de harde vorst dichtgevroren was. Deze werd ter breedte, van de school en de straat afgezet, opdat er niemand langs kon. Dan gingen de vensters open en al het goede beddengoed, was en het stro werd met lange vorken naar buiten gegooid en op de gracht verbrand. Huizenhoog laaiden de vlammen op. Mijn zieke kinderen werden bang, ze schreeuwden, wat ze konden. Maar ook zij moesten weg. Door een achterdeur kwamen mannen met een brancard. Telkens werden drie kinderen tegelijk onder huilen en schreeuwen naar het ziekenhuis gebracht. Zo was de hele inboedel verbrand, mensen en kinderen weg. Alleen wij twee Zusters bleven nog over. Wat zouden ze met ons twee gaan beginnen, vroegen we ons af. Toen zei Mijnheer de Burgemeester: "Komt Zusters, jullie moet met mij mee naar mijn huis. Daar staat de badkuip al gereed. Mijn werklui zijn naar het klooster kleren halen voor jullie. Naast de badkuip staat een teil. Daar gooien jullie al je boven- en ondergoed, plus sluier, rozenkrans, kruis, enz. in; niets achterhouden, het gaat hier om het welzijn van Tiel. Dan trekken jullie alles schoon aan en mogen jullie naar huis gaan. In de gang stroopte Zr. Maria eerst haar broek nog eens op, want ze schaamde zich, om zo over de straat te gaan. Bij Mijnheer de Burgemeester was wel schoon ondergoed voor Zr. Maria, maar niet voor mij. De arme Zuster schrok en zei toen: ”Weet U wat, ik ga er eerst in en dan ga ik voor U wat halen. Ze ging maar kreeg niets. Ik zat al een half uur, een uur in de kuip en er kwamen maar geen kleren opdagen. Ik klopte op de deur en riep tegen het meisje, die op mijn kloppen afkwam, of ze eventjes voor me wilde informeren naar het schone goed, daar ik anders maar weer gewoon het vuile zou moeten aantrekken. Toen bleef den Burgemeester niets anders over dan zelf maar weer op stap te gaan naar Moeder Priorin, die het dan na veel sputteren, toch moest afgeven. Zr. Justiniana had nog een sluier van ons en zo kwam de Burgemeester met het goed terug. Gelukkig, dat het witte habijt veel met het onze overeenkwam, anders had ik nog niet geweten hoe het moest. Toen ik uit de badkamer kwam en Mijnheer bedankte, moest hij toch lachen en vertelde hoe alles was gegaan. Alle kleren gingen ter ontsmetting weg, er kwamen bedorven terug. De mensen op straat keken me allen met grote ogen aan, want van boven was ik Franciscanes en van onder Dominicanes. Thuis hadden ze allemaal schik met mijn nieuwe dracht, behalve de Priorin, Zij was niet op haar gemak. Zelfs Pater Prior kwam en vroeg naar de nieuwe Ordestichteres en schoot in een hartelijk lach. Zelfs ‘s anderendaags in de kerk moest hij nog eens naar me omkijken. ‘s Middags kwam hij naar me toe en zei :”Zeg, Zr. Isidora (schrijfster van dit dagboek JVK), U moest maar Dominicanes blijven, dat witte staat u veel mooier dan het zwarte habijt.” Op mijn antwoord: ”Dat kan wel, maar het is te laat”, hernam hij: "Ik geloof, St. Franciscus en St. Dominicus krijgen er in de hemel nog ruzie over, wie van beiden zou het winnen?” ”Ik denk, St. Franciscus”, antwoordde ik. ”Nou, we zullen zien.” Iedere dag kwam Zijn Eerwaarde kijken, hoe het was. Eindelijk, na een dag of vier, kwam het gezwavelde goed terug, maar habijt, scapulier, mantel en sluier waren door de hete damp zo gekrompen, dat ik het onmogelijk kon aantrekken. Toen werd Hendrik van Wijk erop uitgestuurd om te proberen in Dreumel te komen. Over het ijs lopende kroop die door een raam en haalde wat ik nodig had. Toen Moeder Sophia hoorde, dat ons klooster te bereiken was, had zij geen rust meer. Vlug werd er verlof aangevraagd en een paar Zusters mochten vertrekken. Ik bleef nog een halve maand in Tiel, en kan dus niets van die terugtocht vertellen. Naast dit bericht zal hier ook de rest van de gebeurtenissen worden samengevat, om die na ons komen een juist beeld van alles te geven. |
||||||||||||||||
|
Dreumel |
||||||||||||||||
| 31 dec.1925: | Middags na tafel bereikte ons het schrikwekkend nieuws, dat vlak bij Nederasselt een dijk was doorgebroken. Het water stond reeds in Wijchen bij de spoorlijn. Alles werd als voorzorgsmaatregel naar boven gesjouwd, iedere Zuster zorgde voor die kamers, waar zij het verantwoordelijk werk had. | |||||||||||||||
| 1 jan. 1926: | Het jaar begon met een stille H. Mis, een snapmisje, voor alle Zusters. Daarna weer werken en sjouwen. De aardappels voor de armen naar boven; in het gasthuis de bedden op zolder. Er werd ook gewassen en gekookt. | |||||||||||||||
| 2 jan.1926: | Om 6 uur was het water in het klooster. Wij waren van allen afgesneden. | |||||||||||||||
| 3 jan. 1926: | 's Morgens om 3 uur liep de kelder onder water. De zusters van het gasthuis konden het klooster slechts bereiken over twee banken heen, die over de gang waren gezet. Na de H. Mis werd Het Allerheiligste uit ons huis weggevaren naar de kerk, die iets hoger ligt. Het was hoog tijd, want na de middag om 12.30 uur liep de kapel onder water. De zusters van het gasthuis konden niet meer naar ons in het klooster komen, tenzij over het dak, door een dakraampje. | |||||||||||||||
| 4-5-6 Jan. 1926: | Het water bleef stijgen. Mijnheer Kapelaan Spolders bracht ’s morgens per bootje de H. Communie. En aan de zieken en ouden van dagen door het dakraampje, zoals Zr. Isidora dat in voorafgaand verslag zo aanschouwelijk heeft beschreven. | |||||||||||||||
| 6 Jan.1926: |
Om 10 uur kwam bericht dat we het klooster en het Gasthuis moesten ontruimen. Een stuk of 15 boten kwamen er aan gevaren, over het schoolhek heen, zo hoog stond het water, om ons allen weg te brengen. In de eerste boot werd Zr. Callista gebracht met een doodzieke man, Mijnheer Pastoor en den dokter, die in ieder geval bij deze zieke wilde blijven. In de volgende boten vertrokken wij allen met onze zieken en oudjes. Het was zo mistig, dat onze roeiers aarzelden over te steken, tot aan de andere zijde van de dijk, vanwaar we met een vrachtboot verder zouden worden vervoerd. Op ons aanhoudend smeken lieten ze zich tenslotte, overhalen om het toch maar te proberen. Zoals toen hebben we Zusters en zieken samen wel nog nooit gebeden. 's Avonds kwamen we dan toch, ondanks alles, gelukkig in Tiel aan. |
|||||||||||||||
| Tiel | ||||||||||||||||
| 7 jan. 1926: | Moeder vertrok met Zr. Ludovica, Zr. Theodora en Zr. Isidora van Tiel naar Valkenburg. Op dezelfde dag werden Dreumel en Tiel met een bezoek van Prins Hendrik vereerd. | |||||||||||||||
| 11 jan. 1926: | Onze Valkenburgreizigers kwamen weer terug naar Tiel. De twee eersten verbleven bij de Zusters, die alle moeite deden, aan hen weer goed te maken, waarin zo de eerste avond waren te kort geschoten en nu niet wisten, wat voor hen toch te doen. | |||||||||||||||
| 19 jan. 1926: | Ontvingen we uit Schoonhoven een mand met schoon wasgoed. We hadden elk een hemd, een paar kousen, guimpen enz. Verder had de goede Moeder Stanislaus wat mondvoorraad erbij gedaan. Wij voelden ons met ons schoon goed een koning te rijk. | |||||||||||||||
| Naar Dreumel | ||||||||||||||||
| 22 jan. 1926: |
Op de boodschap, dat het water gezakt en het klooster te bereiken was, begaven zich Moeder met Zr. Raymunda en Zr. Callista op weg. Het was een reis met hindernissen. Over ijs en overblijfselen van verwoeste erven moesten ze heen baggeren en ademden verlicht op, toen ze eindelijk voor het klooster stonden. Maar hier wachtte hun een nieuwe verrassing; de sleutel van de huisdeur stak van binnen en de deur zelf was op slot. Wie dat in grote voorzorg had gedaan, moet zelf wel een raam als uitgang hebben gebruikt. Wet nu te doen? Moeder wist al spoedig raad. Met de spitse punt van haar paraplu stiet ze zo lang in het sleutelgat, tot een geluid van binnen ons de zekerheid gaf, dat de sleutel eruit was. Nu brak de timmerman de deur open en de drie reizigsters konden binnen. Maar wat ze daar te zien kregen, was een verschrikkelijk beeld van verwoesting. Wel was het water zo ver uit ’t klooster (behalve uit de kelder), maar het ijs nog lang niet. Het hele fornuis bijv. was er vol van en het kostte heel wat moeite tot het zo ver was, dat het brandde. En wat verlangden wij arme stakkers naar ’n beetje warmte. De waterschade in huis was ontzettend. Haast alle deuren in huls waren scheef getrokken, de muren gescheurd of gedeeltelijk ingestort, het varkenshok was helemaal weggespoeld, veel bomen geheel vernield. De eerste post, die we uit de brievenbus haalden, waren dode kikkers. |
|||||||||||||||
| 23 jan.1926: | Kwam hulp van Valkenburg, nadat we daarheen een boodschap hadden gestuurd over onze terugkomst in Dreumel. Zr. Ludovica kwam met Zr. Cypriana en twee mannen en zo kon het ontruimingswerk met kracht worden voortgezet. | |||||||||||||||
| 27 jan.1926: | Deze morgen is Zr. Ludovica op weg naar de kerk (deze leidt tegenwoordig door de tuin van Mevrouw van Deursen, omdat op de straat gewoonweg geen voortkomen is) almaar door uitgegleden. Uit vrees in de sloot terecht te komen ging ze terug en haalde een schrobber uit huis, waarmee ze voorzichtig de weg naar links en rechts aftastte, om zo zonder ongelukken in de kerk te komen. De schrobber bleef tot na de H. Mis voor het kerkportaal liggen en moest op de terugweg weer dezelfde dienst doen. We hebben er thuis nog eens flink om gelachen. | |||||||||||||||
| 28 jan.1926: | Vandaag heeft Hare Majesteit de Koningin hier de waterschade bezichtigd (*Nog geen verdere gegevens over dit bezoek bekend). Zr. Ludovica is de enigste van ons die haar heeft gezien. Ze werd met een vriendelijk hoofdknikje gegroet. | |||||||||||||||
| 2 febr.1926: | Onze Zusters en onze patiënten zijn vandaag uit Tiel teruggekomen. Waarde Moeder en Moeder Vicaresse, die enkel nog op hun terugkeer hebben gewacht, zijn weer vertrokken. Op het laatste ogenblik werd nog bijgaande foto van ons convent gemaakt. | |||||||||||||||
| 4 febr.1926: | Met vereende krachten zijn we vandaag aan het opruimen van de school begonnen. Daar is stro en hout en van alles binnen gespoeld. De banken en deuren zijn allemaal krom getrokken van het water. In huis en ook in het dorp zijn veel mensen ziek. Eén Zuster moet iedere nacht bij ons in het gasthuis waken; daarbij moet ze ook in het hele huis de kachels stoken die dag en nacht aanblijven, opdat de muren weer spoedig droog worden. Buiten, in het dorp, hebben we ook elke nacht 2 á 3 waken. Dat wil heel wat zeggen bij zo een sjouwen en zwoegen overdag. Maar we zijn blij, dat we kunnen helpen. | |||||||||||||||
| 15 feb.1926: | Vandaag kon de school weer beginnen; zo ver zijn we. Nu eindelijk zal ook het klooster zijn beurt krijgen. Zr. Justiniana begint maar met verven; Moeder doet hetzelfde in het gasthuis, dat nu ook zo ver droog is. Ieder heeft een assistente on bij te lichten, want het spreekt vanzelf, dat overdag voor dit werk geen tijd is, en het elektrisch licht is in het hele huis stuk. | |||||||||||||||
| 15 mrt. 1926: | Nu zijn we zo ver, dat alleen het opruimingswerk in de kelder nog overblijft. Waarde Moeder heeft ons gisteren in Zr. Gottharda een jong Profesje gestuurd, die vannacht reeds tot twaalf uur heeft geholpen om de ene emmer water na de andere naar boven te slepen. Nu zien we pas het slijk, dat nog op de muren zit en hoe of deze beschadigd en stuk gestoten zijn maar we hopen op het mooie lente zonnetje dat ook deze laatste sporen van het barre wintergetij zal wegwissen. | |||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||